Universiteit Leiden

nl en

ELS lab @Leiden

Onderzoek, projecten & publicaties

Met ingang van maart 2020 zijn twee promotieprojecten gestart. Het zijn interdisciplinaire promotieprojecten die begeleid worden door onderzoekers van ten minste twee afdelingen en door zowel een jurist als een sociaalwetenschapper. De andere projecten betreffen onderzoekslijnen van de universitair docenten binnen dit speerpunt.

Onderzoekers

Mensenrechten zijn lang het unieke domein van staten geweest. Dat is veranderd met de globalisering en de opkomst van multinationale ondernemingen. De zorg voor fundamentele arbeidsrechten binnen mondiale toeleveringsketens vormt een probleem. Dit project richt zich op multinationale ondernemingen als marktactoren en de regulering van hun gedrag binnen de wereldwijde toeleveringsketen. Monitoren van het gedrag en de acties van multinationals is steeds ingewikkelder geworden, omdat internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en de ILO terrein verliezen. In deze context is het belangrijk om naar soft law te kijken. Codes of Conduct zijn gedragsregels die vrijwillig zijn opgesteld door bedrijven, maar waar zij zich aan dienen te conformeren. Wat is de rol van deze Codes of Conduct in de naleving en handhaving van fundamentele arbeidsrechten in mondiale toeleveringsketens?

Publicaties

Onderzoekers

De data-economie is gebaseerd op het verzamelen en verwerken van grote hoeveelheden gegevens over consumenten en hun gedrag. Zulke gegevens worden gebruikt om winstmarges te optimaliseren met behulp van (dynamische) prijsdifferentiatie voor verschillende consumenten. Het is technologisch inmiddels mogelijk voor webshops om prijzen te formuleren die volledig zijn afgestemd op de bereidheid van de klant om ergens voor te betalen. Wat betekent dit voor het vertrouwen in markten? Wat vinden bedrijven en consumenten hiervan en wat moeten reguleringsactoren ermee? Het doel van dit project is om inzicht te verkrijgen in de psychologie van bedrijven en consumenten. Empirisch onderzoek naar percepties van rechtvaardigheid kan een belangrijke basis vormen voor de normatieve dimensie van marktregulering.

Publicaties

Onderzoeker

Het vertrekpunt van dit onderzoek is de bevinding dat het menselijk brein vatbaar is voor allerlei denkfouten en vooringenomenheden (biases), die onze percepties kleuren en onze redenaties beïnvloeden, zonder dat we dit bewust doorhebben. Integendeel, mensen hebben veelal het gevoel dat zij slechts de feiten waarnemen en deze op een rationele, objectieve wijze verwerken in het komen tot oordelen en beslissingen. 

Binnen het juridische domein kunnen waarnemingen en besluiten die op oneigenlijke wijze beïnvloed zijn door onbewuste biases verstrekkende gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan de vraag of een vorm van schade (bv. economisch of persoonlijk letsel) voorzienbaar was, de vraag of het handelen van een bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van een faillissement, of de vraag of bepaalde informatie van dusdanige aard is dat een redelijke investeerder deze informatie zou gebruiken bij het maken van investeringsbeslissingen. Oordelen over voorzienbaarheid, causaliteit en redelijkheid zijn bij uitstek oordelen die vatbaar zijn voor menselijke biases. Uit onderzoek van Niek Strohmaier is naar voren gekomen dat met name morele en normatieve oordelen dergelijke juridisch relevante vraagstukken kunnen beïnvloeden. Voor dit interdisciplinaire, empirische onderzoek wordt geput uit inzichten uit de morele filosofie, cognitieve psychologie en met name het faillissementsrecht. 

Nieks onderzoekslijn houdt zich bezig met een drietal vraagstukken. Ten eerste wordt empirisch onderzocht welke biases mogelijk een rol spelen bij oordelen omtrent ondernemingen in zwaar c.q. faillissement, alsook bij het toezichthouden op en reguleren van financiële markten. Ten tweede wordt middels experimenteel onderzoek ingezoomd op de onderliggende processen van relevante biases om zodoende ons begrip hiervan te vergroten. Ten derde verkent dit onderzoek hoe de potentiële invloed van deze biases geminimaliseerd kan worden.

Publicaties

Onderzoeker

De regulering van productveiligheidsrecht is met de introductie van de Europese interne markt in een stroomversnelling geraakt. Het doel van Europese productveiligheidsregulering is – naast het tot stand brengen en bevorderen van de interne markt – het voorkomen van schade (preventie). Het productveiligheidsrecht wordt primair op nationaal niveau via toezichthouders gehandhaafd en vaak als meer-publiekrechtelijk bestempeld. De Europese wetgever heeft naast het productveiligheidsrecht, ook deels het privaatrecht via het productaansprakelijkheidsrecht geharmoniseerd. Aangenomen wordt dat de Richtlijn productaansprakelijkheid, naast het bevorderen van de interne markt en het bieden van ex post compensatie, mede het voorkomen van schade tot doel heeft doordat dreigende aansprakelijkheid een afschrikwekkende werking zou hebben. De Richtlijn productaansprakelijkheid (85/374/EEG) voorziet slechts in de remedie schadevergoeding voor de eindgebruiker van het product en regelt slechts de vergoeding van letselschade en schade aan andere zaken. De vereisten voor de vergoedbaarheid van andere soorten schade van andere actoren in de handelsketen worden aan het nationale privaatrecht gelaten. Tot op heden is onduidelijk hoe effectief het bestaande juridische kader is in de strijd tegen onveilige producten. Door de opkomst van e-commerce veranderen de traditionele handelsstromen en komen verdere kwetsbaarheden in het bestaande juridische kader bloot te liggen, waardoor de vraag rijst welke soort (juridische) interventies op dit moment het meest passend zijn en welke effecten ze sorteren. 

Dit onderzoek bouwt voort op Gitta’s eerdere onderzoek en beoogt een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de overkoepelende vraag wat de rol van het privaatrecht is in relatie tot het voorkomen van schade, waarbij wordt gefocust op schade door onveilige producten. Daartoe zullen zowel B2B- als B2C-verhoudingen worden onderzocht. Wat zijn bijvoorbeeld de drijvende krachten binnen ondernemingen in de handelsketen die de maken dat een onveilig product wel of niet op de markt wordt gebracht of dat al dan niet tegen een reeds verhandeld onveilig product wordt ingegrepen? Welke rol speelt daarnaast de consument en zijn aankoopgedrag  en welke factoren beïnvloeden zijn individuele beslissing? 

Voor dit interdisciplinaire, empirische onderzoek wordt gebruik gemaakt van inzichten uit de rechtseconomie en samengewerkt met gedragswetenschappen, zodat de juistheid van aannames door de wetgever en rechter kan worden getoetst en beter kan worden beoordeeld welke typen juridische interventies in welke situaties de gewenste effecten kunnen sorteren. Daarmee hoopt zij mede bij te dragen aan privaatrechtelijke rechtsvorming die meer evidence based is. 

Publicaties

Lopende onderzoeksprojecten

Hoofdonderzoeker

Jaarlijks worden in Nederland ruim drieduizend bedrijven in staat van faillissement verklaard. Het faillissement heeft als doel om het vermogen van deze bedrijven te verdelen onder de gezamenlijke schuldeisers. Het bedrag dat de gezamenlijke schuldeisers totaal te vorderen hebben, overstijgt echter veelal de waarde van het vermogen van het bedrijf. Soms hebben in de aanloop naar het faillissement onregelmatigheden plaatsgevonden die het faillissement hebben veroorzaakt of die het tekort in de boedel hebben vergroot. De maatschappelijke schade die door deze onregelmatigheden wordt veroorzaakt, wordt geschat op meer dan een miljard euro per jaar. De aanpak van onregelmatigheden rondom faillissementen staat om die reden al decennia op de agenda van de wetgever. Eind 2012 is het wetgevingsprogramma ‘Herijking faillissementsrecht’ aangekondigd, met fraudebestrijding als belangrijkste pijler. Het doel van het wetgevingsprogramma was mede om te komen tot een helder wettelijk kader met betrekking tot de aanpak van onregelmatigheden rondom faillissement, waarbij de curator wordt gezien als eerste aangewezene om onregelmatigheden te signaleren en te redresseren.

Vanuit de faillissementspraktijk klinkt al jaren kritiek op de wetgever die de curator de taak heeft opgelegd om onregelmatigheden aan te pakken. De kritiek is vooral gericht op de aanname van de wetgever dat de taak om onregelmatigheden aan te pakken in het verlengde ligt van de taak om in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de boedel te vereffenen. Een onderzoek naar de aanpak van onregelmatigheden is immers niet per definitie in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. In sommige situaties kost het meer om onregelmatigheden te onderzoeken en te redresseren dan dat het oplevert, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende verhaalsmogelijkheden zijn. De kosten die gemoeid zijn met de aanpak van onregelmatigheden komen dan in mindering op boedelactief dat beschikbaar is voor de gezamenlijke schuldeisers. De aanpak van onregelmatigheden is in die situaties niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Bovendien wordt gesteld dat de faillissementen waarin onregelmatigheden een rol spelen tevens de faillissementen zijn waarin onvoldoende boedel beschikbaar is om het salaris van de curator te voldoen. Als er in die situaties ook geen zicht is op (voldoende) verhaalsmogelijkheden, dan draagt (het kantoor van) de curator de kosten voor de aanpak van onregelmatigheden. De aanpak van onregelmatigheden is in die situaties niet in het belang van (het kantoor van) de curator.

De aanleiding voor dit onderzoek is het ontbreken van inzicht in de wijze waarop de curator onregelmatigheden in de praktijk aanpakt. Het gebrek aan kennis maakt dat het lastig is om de anekdotische kritiek vanuit de praktijk op waarde te schatten. Doel van het onderzoek is om op basis van belemmeringen die in de praktijk spelen bij de aanpak van onregelmatigheden door de curator te komen tot een aanbeveling voor een (wettelijk) systeem dat beter aansluit bij de ambitie van de wetgever om onregelmatigheden rondom faillissementen in te dammen.

Hoofdonderzoeker

Artikel 10 lid 2 aanhef en onder b van de Merkenrichtlijn verleent aan de merkhouder het recht om op te treden tegen inbreuken op zijn merk tegen een merk dat ‘gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt wordt met betrekking tot gelijke of overeenstemmende waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat.’ Het aantonen van verwarringsgevaar gebeurt in de praktijk onder andere aan de hand van marktonderzoek. Het gebruik van marktonderzoeken in de rechtszaal is echter ook controversieel, omdat eenduidige handreikingen over de kwaliteit en betrouwbaarheid van marktonderzoeken ontbreken en juristen moeite hebben met het beoordelen van de methodologische validiteit en de resultaten van marktonderzoek.

Dit onderzoek poogt ten eerste een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het deels normatieve en deels empirische criterium van verwarringsgevaar in het merkenrecht door te bezien wat empirische bevindingen over aannames van de Europese rechter betekenen voor de invulling van dit criterium.

Daarnaast poogt dit onderzoek ook nader inzicht te geven in het gebruik van marktonderzoeken in de rechtszaal en bij te dragen aan het ontwikkelen van beter inzicht voor juristen en mogelijk zelf nadere kwaliteitsstandaarden voor marktonderzoeken, door samen met sociale wetenschappers in kaart te brengen waar goed marktonderzoek aan moet voldoen.

Hoofdonderzoekers

Goed werkgeverschap is net als goed werknemerschap een open norm. Daarmee is het onduidelijk en onzeker waar werkgevers zich op dienen te richten en welke rechten (en plichten) werknemers hebben in dat verband. De doelstelling van dit onderzoek is om invulling te geven aan de norm goed werkgeverschap in relatie tot medewerkerswelzijn.

Er bestaat een uitgebreide sociaalwetenschappelijke literatuur naar de invloed van werkgerelateerde factoren op het welzijn van medewerkers. Deze onderzoekslijn bouwt voort op het eerdere onderzoek van Helen Pluut naar mentaal welzijn van medewerkers en specifiek hoe werk en privé elkaar beïnvloeden. Voor dit interdisciplinaire, empirische onderzoek wordt gebruikgemaakt van sociaalwetenschappelijke inzichten over de factoren die van invloed zijn op medewerkerswelzijn. Begrip van eventuele discrepanties tussen waar organisaties verwacht worden zich op te richten en wat daadwerkelijk impact heeft in de praktijk kan handvatten bieden aan wetgevers voor het reguleren van gedrag van werkgevers en aanknopingspunten voor rechters bij de verdere invulling van art. 7:611 BW bij gedrag dat mogelijk in strijd is met goed werkgeverschap.

Onderdeel van deze onderzoekslijn is een onderzoeksproject naar thuiswerken. Sinds het begin van de COVID-19-pandemie in het voorjaar van 2020 werken veel mensen gedwongen thuis. Het ziet ernaar uit dat thuiswerken in de toekomst steeds meer zal blijven voorkomen. Dit brengt nieuwe uitdagingen met zich mee, zowel voor werknemers als werkgevers. Wat voor consequenties heeft het thuiswerken voor werknemers, met betrekking tot bijvoorbeeld welzijn en productiviteit? En wat betekent het om in tijden van massaal thuiswerken een goede werkgever te zijn? In dit onderzoek zetten we het recht en de realiteit naast elkaar; we vergelijken het huidige juridisch kader rondom thuiswerken met resultaten van tijdens de pandemie uitgevoerde empirische studies. Passen de bevindingen uit de praktijk bij het huidige regelkader? En zo niet, welke aanpassingen of aanvullingen zijn er noodzakelijk? Het doel van dit onderzoek is om tot aanbevelingen te komen voor de invulling van de norm goed werkgeverschap voor thuiswerkers.

Hoofdonderzoekers

Organisatierisico’s zijn de verantwoordelijkheid van werkgevers maar worden vaak beheerst door het gedrag van werknemers. Onderzoek laat zien dat risicogedrag en -management afhankelijk is van de mate waarin werknemers zich verantwoordelijk voelen. Ook is aangetoond dat dit gevoel van verantwoordelijkheid wordt beïnvloed door de mate waarin werknemers autonomie ervaren. Het is echter nog niet duidelijk in hoeverre autonomie invloed heeft op risicogedrag en op welke manier deze relatie onderhevig is aan individuele kenmerken en contextuele factoren.

Dit project onderzoekt de mate waarin autonomie van belang is voor (het reguleren van) risicogedrag en de invloed van sociale oriëntatie alsook regulering en cultuur op organisatorisch en nationaal niveau. Het doel van dit empirisch-juridische onderzoeksproject is om bij te dragen aan de theorie en praktijk van risicomanagement en het vergroten van inzicht in de rol en de verantwoordelijkheid van de werkgever ten aanzien van het risicogedrag en -management van werknemers.

Hoofdonderzoekers

Dit project tracht juridisch relevante vragen op het gebied van consumentenrecht te beantwoorden met behulp van empirisch onderzoek. De onderzoekslijn richt zich op de aannames waarop het consumentenrecht is gestoeld, de wijze waarop het consumentenrecht in de praktijk functioneert en de effecten van het consumentenrecht in de praktijk. Waar liggen de juridische knelpunten bij (online) consumentenbescherming en hoe dienen we hiermee om te gaan, bezien vanuit een empirisch-juridisch perspectief? Onderdeel van deze onderzoekslijn is het opzetten van een edited volume over Empirics & Consumer Law.

Hoofdonderzoeker

Onderzoek naar veiligheidsmanagement laat zien dat safety voice (d.w.z. de mate waarin individuen hun zorgen over veiligheid binnen de organisatie uitspreken) een belangrijke preventieve stap is voor vennootschappen om onwenselijke uitkomsten, zoals ongelukken en faillissementen, te voorkomen. Aanbevelingen uit deze literatuur impliceren vaak stappen voor het bestuur van vennootschappen. Empirisch onderzoek naar safety voice zou daarom invulling kunnen geven aan het concept ‘onbehoorlijk bestuur’ (art 2:9 BW) dat binnen het Nederlands recht de mogelijkheid biedt voor het aansprakelijk stellen van bestuurders van vennootschappen (art 2:9 BW lid 2). Echter, het blijft onduidelijk in hoeverre empirisch onderzoek naar safety voice invulling kan geven aan (kennelijk) behoorlijk bestuur uit art 2:9 BW, doordat i) empirisch onderzoek naar safety voice de juridische implicaties van onderzoeksresultaten onvoldoende heeft geëvalueerd en ii) juridisch onderzoek geen rekenschap heeft gegeven van de empirische inzichten op het gebied van safety voice bij het invulling geven aan art 2:9 BW. Deze onderzoekslijn onderzoekt daarom in hoeverre art 2:9 BW ingevuld moet worden om aan te sluiten bij onderzoek naar de rol van bestuur bij het bevorderen van safety voice.

Publicaties

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.