Universiteit Leiden

nl en

Paniekstoornis en het brein: grootste studie ooit

Paniekstoornis hangt samen met veranderingen in het brein, zowel in kinderen, adolescenten en volwassenen. Dat is de voornaamste uitkomst van de grootste hersenstudie ooit naar paniekstoornis. Hoofdonderzoeker en coördinator van de studie Moji Aghajani (Instituut Pedagogische Wetenschappen) vertelt waarom dit inzicht zo belangrijk is.

Terugkerende paniekaanvallen die gepaard gaan met klachten als pijn op de borst, duizeligheid, zweten of kortademigheid: dit zijn kenmerken van een paniekstoornis.

In Nederland kampt zo’n twee tot drie procent van de bevolking hiermee, wat neerkomt op honderdduizenden mensen op jaarbasis. Zo’n stoornis kan het dagelijks leven behoorlijk beïnvloeden. Situaties die paniek opwekken worden bijvoorbeeld vermeden, zoals reizen met het openbaar vervoer.

Link tussen brein en paniekstoornis

Welke rol spelen hersenstructuren bij een paniekstoornis? Dat onderzocht universitair docent Moji Aghajani samen met 80 collega’s van over de hele wereld binnen het ENIGMA Anxiety Consortium.

‘Hoewel al langer wordt vermoed dat veranderingen in hersenstructuur een rol spelen bij paniekstoornis, leverden eerdere studies vaak tegenstrijdige resultaten op.

Zij omvatten relatief kleine groepen deelnemers, gebruikten uiteenlopende analysemethoden en onderzochten zeer diverse patiëntengroepen’, legt Aghajani uit. ‘Onze studie pakte die beperkingen rechtstreeks aan door wereldwijd gegevens te bundelen en gebruik te maken van gestandaardiseerde databewerking en analyses’

Onderzoekers van het ENIGMA Anxiety Consortium hebben bijna 5.000 MRI‑hersenscans van mensen met een paniekstoornis geanalyseerd. Daarbij werden de hersenen van kinderen, adolescenten en volwassenen onderzocht. Nog nooit eerder is dit op zo’n grote schaal gedaan

Veranderingen in het brein

Welke inzichten de analyses opleverden? ‘De resultaten wijzen op subtiele, maar wijdverspreide, structurele verschillen in de hersenen van mensen met paniekstoornis. Wij zagen dat op sommige plekken de hersenschors van mensen met een paniekstoornis afwijkt qua dikte en oppervlakte. Ook dieper gelegen hersengebieden zoals de thalamus en caudatus blijken minder volume te hebben’, aldus Aghajani.

‘Die gebieden spelen een centrale rol bij het verwerken van emotioneel relevante informatie en het monitoren van lichamelijke signalen. Die processen raken vermoedelijk verstoord tijdens paniekaanvallen.’

Leeftijd speelt belangrijk rol

Tijdens de studie werd ook ontdekt dat een paniekstoornis het brein niet op elke leeftijd op dezelfde manier beïnvloedt. ‘Wij zagen dat sommige structurele verschillen afhankelijk waren van leeftijd’, zegt Aghajani.

Zo werd duidelijk dat mensen bij wie de paniekstoornis al voor het 21e levensjaar begon, later grotere laterale ventrikels hadden. Dat zijn met vocht gevulde ruimtes in de hersenen. ‘De bevindingen suggereren dat afwijkende hersenontwikkeling en verouderingsprocessen mogelijk mede bepalen hoe een paniekstoornis zich manifesteert in verschillende levensfasen.’

Volgens Aghajani sluit deze studie goed aan bij een bredere verschuiving binnen het mentale gezondheidsonderzoek: weg van kleine, geïsoleerde studies en richting wereldwijde samenwerkingen die subtiele maar betrouwbare neuro-bio-psychologische patronen kunnen blootleggen.

‘Door gegevens van kinderen, adolescenten en volwassenen samen te brengen, hopen we een meer ontwikkelingsgerichte kijk op angststoornissen op te bouwen, een perspectief dat uiteindelijk kan bijdragen aan vroegere herkenning en meer gepersonaliseerde diagnostiek, prognostiek en behandeling.'

Aghajani benadrukt verder dat deze nieuw studie het resultaat is van de gezamenlijke inspanning binnen het ENIGMA Anxiety Consortium, met speciale erkenning voor Dr. Willem Bruin (Universiteit Leiden) en Dr. Laura Han (Amsterdam UMC) als eerste auteurs van de studie publicatie.

Daarnaast onderstreept Aghajani dat het onderzoek niet mogelijk zou zijn geweest zonder de genereuze steun van ZonMw, NWO en het Leids Universiteits Fonds (LUF), waarvoor het team hen zeer dankbaar is.

De resultaten verschenen eerder in het wetenschappelijke tijdschrift Molecular Psychiatry.​​​​​​​

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.