Universiteit Leiden

nl en

Anders kijken naar de Romeinen – en onszelf

Globaliseren is geglobaliseerd worden en daarbij speelt materiële cultuur een cruciale rol. Dat is de eigentijdse les van Miguel John Versluys, de nieuwe hoogleraar Klassieke en Mediterrane Archeologie. Hij leert ons die aan de hand van onderzoek naar het ontstaan en de groei van het Romeinse rijk, vanaf de 3e eeuw voor Christus. Oratie op 29 september.

Dat de mens en het landschap waarin hij leeft elkaar wederzijds beïnvloeden is bekend. Versluys introduceert daarnaast het begrip object-scape. Want wat voor mens en landschap geldt, geldt evenzeer voor de huidige mens en de 3000 tot 5000 objecten waarmee hij in het dagelijks leven in aanraking komt. ‘Objecten sturen ons en brengen vaak allerlei onbedoelde veranderingen met zich mee,’ aldus Versluys. Als meest in het oog springende hedendaagse object waarop dat van toepassing is, noemt hij de smart-phone. ‘Ik moet mijn kinderen er soms op wijzen dat ze er ook mee kunnen bellen.’

de Romeinse voorstelling van de bewoonde wereld met in het midden de Middellandse Zee en daar omheen de continenten Europa, Azië en Afrika.

Rituele toevoeging

De wederkerige relatie van mens en object was er altijd al. In 222 voor Christus boekte de Romeinse consul en generaal Marcellus een cruciale overwinning op Keltische stammen. Een van de belangrijkste trofeeën die dit Rome opleverde was de prachtige wapenuitrusting van de Keltische leider die door Marcellus persoonlijk in het gevecht werd omgebracht. ‘Zoiets moois hadden de Romeinen nog nooit gezien’, aldus Versluys. ‘De wapenuitrusting werd in Rome aan Jupiter gewijd en zo op rituele wijze toegevoegd aan het Romeinse object-scape. Wat vreemd was, werd op die manier eigen.’

Hellenistische kunst als deze beeldengroep uit Pergamon, van een overwonnen Galliër die zijn vrouw heeft gedood alvorens de hand aan zichzelf te slaan, maakte in Rome een enorme indruk.

Mentale invloed

Daar zou het niet bij blijven. Vanaf de tweede eeuw voor Christus veroverde Rome grote delen van de toenmalig bekende wereld. De verovering van de hellenistische stad Syracuse op Sicilië (een kosmopolitisch knooppunt), alsook overwinningen in Macedonië, Epirus en elders, tot in Egypte, leverden Rome enorm veel objecten op: glas, reliëfs, schilderijen, vaatwerk (van agaat), boeken, beelden, goud, metaal, edelsteen en niet te vergeten: obelisken. Rome werd hellenistisch, zo heet het, maar dat niet alleen. Al die objecten veranderden weliswaar Rome uiterlijk –  zo kreeg de Romeinse openbare ruimte een andere functie en een ander aanzien - maar ook in praktische én mentale zin.

Mummiekist met portret van Artimidorus, afkomstig uit Hawara in Egypte (100-120). Door de Romeinse verovering van Egypte raakten de regio's zeer sterk verbonden.

De Ander en het Zelf

Versluys: ‘Rome had ineens een enorme hoeveelheid hellenistisch Ander en sleepte een indrukwekkend stuk wereldgeschiedenis - geografisch en chronologisch – binnen zijn muren. Dat confronteerde het nog jonge Romeinse rijk met de vraag naar legitimatie en identiteit: wie zijn we eigenlijk, wat doen we hier en waar gaan we heen? Wat is ons Zelf? Rome had nog geen narratief, een passend eigen verleden geformuleerd.’ Het antwoord kwam na twee eeuwen discussie, tegen het jaar 0. Onder andere in de vorm van de Aeneïs van Vergilius - Romes eigen Oude én Nieuwe Testament, volgens Versluys, en in de vorm van enorme en succesvolle culturele en technische innovaties. Gestoeld op wat gedurende enkele eeuwen al was uitgeprobeerd en zinvol bevonden, gekozen uit wat het meest bruikbaar en aansprekend was van alle ‘oorlogsbuit’: van industriële en landbouwkundige vernieuwingen, bijvoorbeeld glasblazen, en boeken over de ontwikkelingen in religie en filosofie tot het gebruik van linnen en de introductie van het – goddelijk – keizerschap. Keizer Augustus verankerde het allemaal in het Romeinse rijk. Een nieuwe Romeinse canon ontstond, gestoeld op de tradities van de veroverde gebieden.

Objecten zijn ook actoren

Volgens Versluys moeten we objecten niet voorzien van een identiteit maar deze beschouwen in termen van wat ze ons (kunnen) brengen en wat onbedoelde gevolgen (kunnen) zijn. Je moet ze dus bezien in de wisselwerking met de mens. ‘Zo beschouwd zijn objecten óók actoren.’ En globalisering: die is van alle tijden. Versluys: ‘Het denken in termen van volken en natiestaten lijkt misschien handig om orde te scheppen een complexe wereld maar doet geen recht aan de werkelijkheid. Het lokale is altijd verbonden met het globale. Gemeenschappen zullen altijd het beste en meest bruikbare van andere gemeenschappen overnemen en integreren in wat zij als hun eigen cultuur beschouwen.’ Want de behoefte aan een eigen cultuur waarvan men deel uitmaakt is er altijd, zie de Romeinen. Al is die eigen cultuur door alle geïncorporeerde elementen in wezen fictie. ‘In dit licht bezien was prinses Maxíma’s uitspraak in 2007 dat de Nederlandse identiteit niet bestaat zeer begrijpelijk én juist, maar de commotie die deze veroorzaakte óók.’

Prof.dr. Miguel John Versluys kreeg in 2016 een VICI-subsidie van NWO voor zijn vernieuwend, interdisciplinair onderzoek Innovating objects. The impact of global connections and the formation of the Roman Empire (ca. 200–30 BC). Hij is samen met prof.dr. Ineke Sluiter en anderen hoofdaanvrager van het toegekende Zwaartekrachtproject Anchoring Innovation, een tien jaar durend onderzoek naar innovatieprocessen in de oudheid.

(CH)