Universiteit Leiden

nl en

Hoe herken je psychopaten in de dop?

Jongeren met psychopathische eigenschappen vertonen relatief vaak crimineel gedrag. Daarom is het belangrijk hen goed te kunnen herkennen. Wendy Zwaanswijk ontwikkelde en testte een nieuw meetmodel om psychopathische jongeren te beschrijven. Promotie op 6 september.

Jongeren met psychopatische eigenschappen tonen relatief vaak agressief en delinquent gedrag. Ook onder gevangenen komt psychopathie relatief vaak voor. Jongeren die hoog scoren op psychopathie richten meer schade aan en kosten door hun detentie de maatschappij meer geld dan jongeren die lager op deze trekken scoren. De behandeling van psychopathie is zeer moeilijk, maar de beste resultaten worden gehaald als zo jong mogelijk wordt begonnen. Daarom is het belangrijk hen vroegtijdig op te sporen. Hiervoor zijn goede instrumenten en meetmodellen nodig. 

Er is eerder onderzoek gedaan naar psychopathie, ook onder jongeren. Maar over de beste meetmodellen om psychopathie onder jongeren wordt nog veel gediscussieerd. 

Kenmerken van psychopathie

Zwaanswijk is uitgegaan van een model met drie factoren of drie bouwstenen: interpersoonlijk, affectief en gedragsmatig. Psychopaten tonen op het interpersoonlijke vlak onder meer een (oppervlakkige) charme, arrogantie en narcisme. Ook liegen ze makkelijk. Qua gevoelsleven (het affectieve) is sprake van ongevoeligheid, oppervlakkigheid en het ontbreken van schaamte of schuldgevoel. De gedragskenmerken zijn: impulsiviteit, onverantwoordelijkheid, behoefte aan opwinding en grensoverschrijdend gedrag. Die gedragskenmerken leiden, in combinatie met de andere dimensies, vaak tot delinquentie.

Twee modellen in gebruik

Zwaanswijk gebruikte de bestaande vragenlijst YPI: de Youth Psychopathy Traits Inventory. Dat is een relatief nieuw en veelbelovend instrument om de hiervoor genoemde drie bouwstenen of psychopathische trekken onder jongeren mee in kaart te brengen. Als met die drie bouwstenen wordt gewerkt, worden vaak twee verschillende modellen gebruikt. Het ene is gebaseerd op een één-factor structuur. Dit model gaat ervan uit dat alle antwoorden op de vragen van de vragenlijst afhankelijk zijn van één hoofdkenmerk: psychopathie. Alle drie de bouwstenen worden dan opgeteld om tot een score voor psychopathie te komen.

Combinatie in één model

In het andere model, de driefactorstructuur, worden de interpersoonlijke, affectieve en gedragskenmerken niet samen opgeteld maar apart gehouden; er is dan niet één psychopathieconstruct, maar drie verschillende constructen die samen de mate van psychopathie bepalen. Zwaanswijk maakte het zichzelf niet makkelijk en toetste een derde model waarin ze beide modellen combineerde. In dit model is er zoals in het eerste model een algemene psychopathiefactor, en daarnaast zijn er ook de drie bouwstenen. De verschillende modellen werden met elkaar vergeleken, en het derde model bleek het beste te matchen met de data.

Vijf groepen

Naast het analyseren van verschillende meetmodellen voor psychopathie heeft Zwaanswijk ook subgroepen van jongeren met psychopathische eigenschappen onderscheiden. Psychopathie kan zijn aangeboren (primaire vorm) maar het kan ook ontstaan door misbruik, mishandeling en andere trauma’s in de kindertijd (secundaire vorm). Zwaanswijk maakt dat onderscheid ook in haar onderzoek. De niet-aangeboren vorm heeft als kenmerk verhoogde niveaus van angst- en depressie bij de jongeren, terwijl de meer aangeboren vorm juist lage angstniveaus laat zien. Door psychopathische eigenschappen en niveaus van angst te combineren, komt ze tot vijf groepen met verschillende problemen:

 

Primaire pyschopathie

Secundaire  psychopathie

 

1.

Hoog

Hoog

Gedragsproblemen, problemen met vriendschap, laag zelfvertrouwen (8%)

2.

Hoog

Laag

Iets meer gedragsproblemen maar verder weinig problematiek, hoge zelfwaardering  (11%)

3.

Laag

Laag

Geen bijzonderheden

4.

Laag

Hoog

Laag zelfbeeld

5.

Gemiddeld

 

 

De jongeren in groep 1 vormen de grootste risicogroep: hun aanleg voor psychopathie kan versterkt worden door beschadigende omgevingsfactoren in de kindertijd. De jongeren in groep 2 lopen ook risico maar minder. Zwaanswijks onderzoek laat zien dat niet alle jongeren die hoger scoren op psychopathie hetzelfde zijn, en ook aan dat niet alle jongeren die hoger scoren op psychopathie dezelfde gedragsproblemen ervaren.

‘Mooie bijdrage’

Zwaanswijk noemt haar promotie-onderzoek ‘een mooie bijdrage’ aan de discussie over psychopathische trekken bij jongeren. Zijzelf heeft momenteel geen mogelijkheden verder te werken met haar eigen model; ze werkt nu als postdoc bij het ICLON. Maar anderen kunnen dat wel doen. Het complexe rekenwerk kan dat in de weg staan. Maar Zwaanswijk heeft een mooi voorbeeld geschreven dat het werk voor anderen makkelijker kan maken.

Psychopaat kan ver komen

Het achterliggende doel van het type onderzoek, psychopaten in de dop vinden en behandelen, klinkt simpel maar de praktijk is weerbarstig. Onderzoek naar behandelsucces wijst verschillende kanten uit maar wel is duidelijk dat psychopathie geen eenvoudig te behandelen stoornis is.

Het goede nieuws is dat psychopathie niet per se negatief hoeft uit te pakken. Sommige psychopaten schoppen het met hun charme, hun behoefte aan opwinding en hun ongevoeligheid ver in de maatschappij. Het criminele pad hoeft niet het enige pad te zijn.

Promotie op 6 september
Wendy Zwaanswijk: Psychopathie in 3D

(CH)