Rekenen kinderen echt zo slecht? ‘Niets van waar’
Onderzoek
Het rekenniveau van Nederlandse basisschoolkinderen? Niet om over naar huis te schrijven. Althans, dat is het algemene idee. Absoluut niet waar, zeggen rekenonderzoekers Marian Hickendorff en Emilie Prast van het Instituut Pedagogische Wetenschappen.
Negatief onderwijsnieuws
Je kunt de klok er bijna op gelijk zetten. Elk jaar als de Inspectie van het Onderwijs het jaarlijkse Staat van het Onderwijs-rapport presenteert, poppen er in de media berichten op waarin wordt gesteld dat Nederlandse kinderen niet goed genoeg rekenen. In 2026 was dit ook weer het geval. 'Onderwijs blijft steken, concludeert inspectie: basisvaardigheden niet beter, verschillen groeien', kopt de Volkskrant op 15 april.
Terwijl in het inspectierapport het volgende staat: ‘In het primair onderwijs (po) zijn de resultaten van leerlingen in groep 3 tot en met 7 voor taal en rekenen-wiskunde tussen de schooljaren 2018-2019 en 2024-2025 redelijk stabiel. Ze liggen weer op het niveau van voor de coronapandemie.’
Referentieniveaus kleuren beeld
Wie afgaat op de mediakoppen, krijgt het idee dat basisschoolkinderen collectief slecht zijn in rekenen. Maar dat is absoluut niet zo, weet universitair hoofddocent Marian Hickendorff. Zij doet onderzoek naar rekenonderwijs.
'Dit negatieve beeld komt mede door hoe de Inspectie van het Onderwijs kijkt naar hoeveel leerlingen de referentieniveaus voor taal en rekenen behalen', licht zij toe. 'De overheid heeft als doel gesteld dat 65 procent van de leerlingen het streefniveau 1S haalt bij rekenen. De aanname was dat leerlingen het streefniveau nodig zouden hebben om door te stromen naar vmbo-tl, havo of vwo, maar dit is nooit onderzocht', gaat zij verder. 'En bij invoering is gezegd: nu haalt 50 procent van de leerlingen dat, maar dat moet dus naar de 65. Een plan om dat te bereiken was en is er niet.'
Rekenonderzoek geeft ander beeld
Er is haar veel aan gelegen om het idee dat kinderen 'slecht' rekenen te ontkrachten. Onderzoeken die zich specifiek richten op rekenen en exacte vakken laten immers een heel ander beeld zien. 'Wie kijkt naar de resultaten van rekenstudie Peil.Onderwijs, ziet dat het rekenniveau van kinderen al zo’n 20 jaar grotendeels stabiel is', legt Hickendorff uit. De resultaten van Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS), het grote, internationale zusje van Peil.Onderwijs, laten sinds midden jaren ‘90 een soortgelijk beeld zien.
Sterker nog: TIMSS laat zien dat bijna alle Nederlandse kinderen (98 procent) het meest basale niveau weten te behalen. 'In weinig andere landen is dat percentage zo hoog.'
Ruimte voor groei
Nederlandse kinderen rekenen dus helemaal niet zo slecht, al is er natuurlijk altijd ruimte voor groei. 'Meer kinderen zouden het gevorderde rekenniveau kunnen halen. Dat blijkt ook uit het laatste TIMSS-onderzoek', vertelt Emilie Prast.
Zij is universitair docent en doet onderzoek naar differentiatie in het rekenonderwijs. Differentiatie betekent dat het onderwijs wordt afgestemd op de verschillende behoeften van de leerlingen in de klas. Zo hebben sommige leerlingen veel extra stap-voor-stap uitleg en oefening nodig, terwijl andere leerlingen juist meer uitdaging nodig hebben dan de reguliere rekenmethode biedt.
Prast promoveerde in 2018 op het thema waar zij nu ook onderzoek naar doet. Tijdens haar promotietraject bekeek zij heel veel video’s van rekenlessen. Daarin zag zij iets opvallends. 'De video’s werden telkens opgedeeld in fragmenten van vijf minuten. Per vijf minuten werd genoteerd wat de leerlingen en de leerkracht deden. In 21 procent van de fragmenten zagen we dat de leerkrachten extra uitleg gaven aan kinderen die moeite hadden met rekenen. In slechts 2 procent van de fragmenten kregen leerlingen die juist meer uitdaging konden gebruiken uitleg of begeleiding bij die uitdagendere taken.'
'Andere studies laten eenzelfde soort beeld zien', laat zij weten. 'Zo geven leerkrachten in verschillende vragenlijstonderzoeken aan dat zij relatief weinig instructie-aandacht besteden aan kinderen met veel potentieel op het gebied van rekenen.'
Aanbevelingen voor sterk rekenonderwijs
Dat leerkrachten minder aandacht hebben voor kinderen die juist meer uitdaging kunnen gebruiken, is natuurlijk geen onwil. De werkdruk is hoog, de klassen groot en niet elke school heeft extra verrijkingsstof voor deze groep leerlingen in huis.
Prast: 'soms is zo’n lesmethode er wel, maar krijgen leerlingen dus weinig begeleiding. En het komt ook voor dat kinderen al werk voor de middelbare school krijgen, wat ook niet ideaal is. Eenmaal op de middelbare school lopen ze dan weer tegen hetzelfde probleem aan.'
Hoe scholen ervoor kunnen zorgen dat het rekenonderwijs nog beter wordt voor alle leerlingen? Daar kan de pas verschenen leidraad rekenonderwijs die Hickendorff met collega’s ontwikkelde bij helpen, net als de themapagina over veelbelovende rekenaars die Prast schreef. Die documenten maakten zij voor het Nederlands Kennisinstituut Onderwijs. 'In de leidraad staan zes aanbevelingen, die leerkrachten en rekencoördinatoren inspiratie en handvatten om goed rekenonderwijs te geven', vertelt Hickendorff.
Een voorbeeld: 'het is bijvoorbeeld belangrijk om kinderen niet te laten focussen op losse sommetjes. Leg bijvoorbeeld uit dat vermenigvuldigen, zoals 3 x 4, neerkomt op herhaald optellen: 4 + 4 + 4. En dat meten in meters en centimeters een hele mooie toepassing is van decimale getallen. Door het zo aan te pakken, krijgt het rekenen meer betekenis en onthouden kinderen het beter.'
Geen kale optel- of aftreksommen
Deze manier van omgaan met rekenen, bereidt kinderen beter voor op het gebruik van rekenen in het dagelijks leven. 'Want dan zijn het vaak ook geen kale optel- of aftreksommen, maar heb je het nodig om te bepalen hoeveel dozen laminaat je moet kopen', aldus Prast.
Daarom is het ook belangrijk dat leerlingen aan de slag gaan met opgaven waar ze niet een kant-en-klaar sommetje uit kunnen halen, maar zelf een aanpak voor moeten bedenken. Prast geeft een voorbeeld van zo’n opgave: 'Pim gebruikt 8 magneten om 3 dierenplaatjes op te hangen. Hoeveel magneten gebruikt hij voor 30 plaatjes? Om dat op te lossen moet je eerst zelf bedenken hoe je dit aan gaat pakken.'
Vroege indeling helpt niet
In de leidraad gaat het ook over differentiatie en wordt verwezen naar de eerdergenoemde themapagina die Prast schreef over veelbelovende rekenaars.
Zowel Hickendorff als Prast zien dat sommige rekenmethodes kinderen al vroeg indelen op basis van het rekenniveau dat zij dan hebben. Eenmaal op zo’n route? Dan kan het lastig zijn er vanaf te komen. Zo kan een leerling die misschien wel heel veel potentie heeft zich nooit optimaal ontwikkelen. 'Van die rigide manier van indelen moeten we echt wegblijven', benadrukt Hickendorff.
De voorbeelden van Prast en Hickendorff laten zien dat er nog altijd winst te behalen valt in het rekenonderwijs. Tegelijkertijd is de stand van het rekenonderwijs en het rekenniveau van kinderen dus absoluut niet zo slecht als de mediakoppen doen vermoeden.