Universiteit Leiden

nl en

Jenny Audring brengt het netwerk van woorden in het brein in kaart

Wie een taal spreekt, maakt onbewust gebruik van een gigantisch netwerk aan woorden en grammatica. Universitair hoofddocent Jenny Audring ontvangt een NWO L-beurs om zo’n mentaal netwerk te reconstrueren.

‘We weten niet hoe taalkennis in het brein zit opgeslagen’, begint Audring. ‘Neurowetenschappers kunnen wel in het brein kijken, maar dan kunnen we alsnog niet observeren wat het brein weet. Daarom denken we daar als taalwetenschappers op een theoretische manier over na.’

Om een taal te spreken, gebruikt ons brein volgens Audring twee ‘boeken’: een gevuld met woorden en een met grammatica, dat duidelijk maakt hoe we die woorden met elkaar verbinden. ‘Het is de vraag hoe dat eruitziet in je brein’, zegt Audring. ‘Je hebt natuurlijk geen alfabetische woordenlijsten of grammatica met uitleg in je hoofd. Waarschijnlijk is het een netwerk, waarin woorden met dezelfde betekenissen, maar bijvoorbeeld ook met dezelfde vorm, aan elkaar zijn verbonden. Ook de grammatica maakt deel uit van hetzelfde netwerk.’

Netwerk nabootsen

In haar nieuwe project wil Audring een dergelijk netwerk digitaal nabouwen. ‘Ik concentreer me op de grammatica binnen woorden’, vertelt ze. Hoewel grammatica vaak wordt geassocieerd met zinnen, hebben ook woorden een grammaticale structuur. ‘Koffiekopje bestaat bijvoorbeeld uit drie delen: koffie, kop en -je’, legt ze uit. ‘Als spreker weet je dat het Nederlands dit soort samenstellingen en verkleinwoorden heeft. De kennis over deze patronen wil ik nabootsen in een netwerk.’

Voor andere talen bestaan dergelijke ‘constructicons’ al, voor het Nederlands is het nieuw. ‘Dit wordt bovendien wereldwijd het eerste constructicon dat is gericht op de woordgrammatica’, vult Audring aan. ‘Het Instituut voor de Nederlandse Taal beheert allerlei databases, waaronder woordenlijsten waar de structuur van de woorden al deels in is verwerkt. Daarnaast kan ik me baseren op goed voorgaand onderzoek: het is een Leidse traditie om je bezig te houden met morfologie, de grammatica van woorden.’

Voor- en achtervoegsels

Audring focust zich daarbij meer op de -je dan op de koffiekop. ‘De relaties tussen delen van een samenstelling kunnen zo ingewikkeld worden, dat is werk voor een ander project’, legt ze uit. ‘Anders wordt het te veel.’ In plaats daarvan kijkt ze naar voor- en achtervoegsels, zoals be-, ver-, -baar en -je. Het Nederlands heeft er honderden van, en er schuilt veel complexiteit in. ‘In het Nederlands heb je werkwoorden die beginnen met op-, zoals ophangen. Als het gaat om een jas aan de kapstok hangen, zie je heel duidelijk dat op een omhoog gaande beweging toevoegt aan het werkwoord hangen. Dat is logisch, maar bij de telefoon ophangen is die opwaartse beweging van de hoorn op de haak hangen verdwenen. Bij een verhaal ophangen staat de betekenis nog verder los. Vorm en inhoud sluiten daardoor minder goed bij elkaar aan. Hetzelfde geldt voor opslaan op de computer. Daar heb je dezelfde constructie, maar niet die beweging omhoog van op. Al die subtiliteiten moeten tot uiting komen in het netwerk.’

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.