Kabinet wil zwaardere straf voor doden partner na huiselijk geweld
Actualiteit beeld: Nick Fancher via Unsplash+
Wie na een patroon van aanhoudend huiselijk geweld haar of, meestal zijn (ex-)partner doodt, krijgt daarvoor mogelijk een zwaardere straf. Ellen Gijselaar, universitair docent Straf- en strafprocesrecht, ziet zowel kansen als risico's: ‘Er is meer nodig dan alleen het strafrecht.’
De rechter woog dit patroon tot nu toe nauwelijks mee: wie zijn partner doodt zonder bewezen voorbedachte rade, wordt veroordeeld voor doodslag, niet voor moord. Voor een veroordeling wegens moord moet worden bewezen dat de verdachte de kans had om na te denken over wat hij ging doen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. In femicidezaken (het doden van het slachtoffer omdat ze een vrouw is) is dat bewijs zelden voorhanden.
Gijselaar legt uit: ‘Rechters nemen voorbedachte rade in de praktijk vooral aan op basis van concrete aanwijzingen vlak vóór de daad: doodsbedreigingen aan het adres van het slachtoffer, of chatberichten waaruit blijkt dat de verdachte aan anderen heeft laten doorschemeren dat hij het slachtoffer iets zou aandoen.’ De meest voorkomende vorm van moord of doodslag op vrouwen is moord of doodslag gepleegd door een (ex-)partner of een familielid. Uit cijfers blijkt dat meer dan de helft (53,7 procent) van de vrouwen die van 2014-2024 in Nederland om het leven zijn gebracht, zijn gedood door de partner of ex-partner. Vaak kent de levensberoving een voorgeschiedenis van geweld.
Femicide voorkomen
Daar wil justitieminister David van Weel actie op ondernemen. Hij publiceerde een conceptwetsvoorstel dat dwingende controle en psychische mishandeling strafbaar stelt, en dat de maximale straf voor doodslag na aanhoudend huiselijk geweld verhoogt naar 30 jaar of levenslang. Daarmee kunnen daders even zwaar worden gestraft als voor moord, ook als een vooropgezet plan niet bewezen kan worden.
Vooral in relatie tot femicide wordt al langer gepraat over een aparte strafbepaling voor psychisch geweld. Staatssecretaris Coenradie diende het wetsvoorstel in de vorige kabinetsperiode in als hulpmiddel om femicide te voorkomen. Deskundigen zien dwingende controle als een stap die voorafgaat aan partnerfemicide. Een stap die tot nu toe juridisch nauwelijks zichtbaar was. ‘Het juridisch erkennen van de term partnerfemicide heeft vooral een symbolische en normerende betekenis: het maakt het zichtbaar en herkenbaar,’ zegt Gijselaar.
‘Het juridisch erkennen van de term partnerfemicide maakt het zichtbaar en herkenbaar'
Van dwingende controle tot sextortion
De strafverzwarende omstandigheid is onderdeel van een groter wetsvoorstel dat dwingende controle en psychische mishandeling strafbaar maakt. Dwingende controle houdt in dat iemand macht uitoefent over diens partner door diegene stelselmatig te vernederen, bang te maken of in zijn of haar vrijheid te belemmeren. Dit gedrag is nu niet strafbaar, waardoor politie en justitie te weinig kunnen optreden, ook als situaties ernstig zijn of dreigen te escaleren.
Het wetsvoorstel betreft ook sextortion: afpersing met seksuele foto's of video's. Nu is dat alleen strafbaar als daarmee seksuele interactie is afgedwongen; straks is de dreiging alleen al strafbaar. Gijselaar is positief over de keuze om de strafbaarstelling van dwingende controle toe te spitsen op de context van een (voormalige) relatie. ‘Daarmee heeft de strafbaarstelling een onderscheidende waarde en kan het daadwerkelijk leiden tot herkenning van geweld door de overheid en hulpverleningsinstanties.’
Moeilijk te bewijzen
Toch plaatst Gijselaar kanttekeningen bij de uitvoerbaarheid. Dwingende controle richt zich op gedragspatronen, niet op een eenmalig incident. Juist dat maakt vervolging ingewikkeld. ‘Het klopt dat dwingende controle moeilijk te vervolgen en te berechten is,’ zegt Gijselaar. ‘Daarom is het belangrijk dat de invoering van de wet samengaat met intensieve training en specialisatie van officieren van justitie, politieambtenaren en hulpverleners.’
Daarvoor kijkt ze naar een Engels framework, waar dwingende controle al langer strafbaar is. Daaruit blijkt dat opsporingsambtenaren bij het horen van slachtoffers niet moeten focussen op losse incidenten, maar op de context van de relatie: welke regels golden er impliciet, hoeveel contact was er met familie en vrienden, hoe zelfstandig was het slachtoffer financieel? Het kan echter lastig zijn om dit vast te leggen, omdat veel slachtoffers niet alle informatie prijsgeven. ‘Slachtoffers van intiem partnergeweld zien op een later moment vaak af van medewerking aan het strafproces,’ voegt Gijselaar toe. ‘Ander bewijsmateriaal zoals berichten, opnames, beelden van slimme deurbellen, is daarom ook belangrijk.’
‘Preventie, vroegtijdig ingrijpen en begeleiding van plegers zijn minstens zo belangrijk.’
Uitvoering en preventie
Een andere vraag is of hogere straffen femicide daadwerkelijk voorkomen. Gijselaar wijst op Europese instrumenten die een bredere aanpak voorschrijven: preventie via campagnes en onderwijs, gericht op vroegtijdig ingrijpen, of via slachtofferbescherming. Ze benadrukt ook dat een daadwerkelijke toepassing meer vergt dan extra rechten voor slachtoffers: ‘Er is ook een genderperspectief nodig bij de uitvoering en toetsing, omdat dit een probleem is dat mannen en vrouwen op andere manieren raakt en dus om asymmetrisch beleid vraagt.’
Het wetsvoorstel van psychische mishandeling geldt voor iedereen, niet alleen in de voorfase van partnerfemicide. Gijselaar ziet daar een reëel risico. Psychisch geweld omvat gedrag dat ‘in vrijwel alle relaties wel eens voorkomt, zoals kwetsen, uitschelden of incidentele gevallen van controle.’ Dat verschil, tussen een partner die eens zonder toestemming een appje leest en een partner die dreigt met zelfmoord om iets af te dwingen, zal in de praktijk zorgvuldig bewaakt moeten worden, aldus Gijselaar. Het is een nuance die de wet zelf niet kan afdwingen, maar die in de uitvoering alles uitmaakt. Het wetsvoorstel is een stap, maar niet het eindstation. Gijselaar is helder over wat er nog moet komen: ‘Het strafrecht alleen is niet het volledige antwoord. Preventie, vroegtijdig ingrijpen en begeleiding van plegers zijn minstens zo belangrijk.’