Universiteit Leiden

nl en

Neanderthalers konden zelf vuur maken – net als onze moderne voorouders

Neanderthalers konden op grote schaal vuur maken met behulp van pyriet en hun vuistbijlen. Ze konden dus zelf beslissen wanneer zij vuur wilden en waren niet afhankelijk van natuurbranden, zoals eerder gedacht werd. Archeoloog Andrew Sorensen ontdekte het eerste materiële bewijs hiervoor. Publicatie in Scientific Reports.

Afhankelijk van natuurbranden

‘De moderne mensen in de late prehistorie konden zelf vuur maken, waar en wanneer zij het nodig hadden,’ zegt de Leidse archeoloog Andrew Sorensen. Dit deden ze door met vuurstenen gereedschap tegen een stuk pyriet – een ijzerhoudend mineraal – te slaan. Maar er was nooit bewijs gevonden dat hun oude verwanten de neanderthalers, een lang uitgestorven prehistorische mensensoort, dit ook al deden. De veronderstelling was daarom dat neanderthalers niet zelf vuur maakten, maar afhankelijk waren van natuurbranden, die bijvoorbeeld ontstonden door blikseminslag. Sorensen: ‘Ze zouden brandende takken verzamelen, om daarmee hun vuur aan te steken. Dit hielden ze continu brandend en ze wisten het zelfs mee te nemen als ze zich verplaatsten.’ Geen gemakkelijke opgave, en je bent niet altijd zeker van vuur.

Een vuistbijl uit het onderzoek van Andrew Sorensen. In de gemarkeerde vlakken zijn de (microscopische) sporen van het slaan met pyriet te zien.
Een vuistbijl uit het onderzoek van Andrew Sorensen. In de gemarkeerde vlakken zijn de (microscopische) sporen van het slaan met pyriet te zien.

Microscopische slijtage

Nu blijkt dat dit idee niet klopt, in ieder geval voor een aantal wat ‘jongere’ groepen neanderthalers. Sorensen ontdekte dat onze oude neven uit de steentijd wel degelijk in staat waren zelf vuur te maken, en dat dit een wijdverbreid gebruik was. Samen met de Franse archeoloog Emilie Claud en de Leidse hoogleraar Marie Soressi vond hij heel specifieke microscopische slijtage op vuurstenen vuistbijlen uit het midden-paleolithicum, het tijdperk van de neanderthalers. ‘Ik herkende de vorm van de slijtage uit mijn eerdere experimentele werk. Het zijn de sporen die je krijgt als je vonken probeert te slaan met een stuk pyriet tegen een vuursteen. Alleen waren deze vuistbijlen veel ouder dan waar tot nu toe deze slijtage op gevonden was.’

Op grote schaal vuur maken

Sorensen en Claud onderzochten tientallen vuistbijlen van zo’n 50.000 jaar oud, van verschillende vindplaatsen verspreid door Frankrijk. Op al die vuistbijlen vonden ze dezelfde typische slijtage. ‘Dat bewijst dat het niet een incidentele vondst is, maar dat neanderthalers in deze periode op grote schaal zelf vuur maakten,’ aldus Sorensen. En dat heeft een enorme betekenis, legt hij uit. ‘Zelf vuur kunnen maken geeft de neanderthalers veel meer flexibiliteit in hun leven. Het is een vaardigheid waarvan we wel vermoedden maar niet zeker wisten dat ze die bezaten. Dat ze ontdekten dat het tegen elkaar slaan van twee stenen iets opleverde – namelijk vuur – dat geheel anders was dan het bronmateriaal geeft ons nieuw inzicht in de cognitieve vaardigheden van neanderthalers. Het toont aan dat neanderthalers gelijke technische capaciteiten hadden als moderne mensen in die tijd, ondanks dat zij zich soms anders gedroegen.’

Pyriet op vuursteen slaan

Met een combinatie van microscopisch onderzoek en experimenten ontdekte Sorensen dat de slijtagesporen specifiek zijn voor het maken van vuur. ‘Je ziet slagsporen in de vorm van een C. Daarbij zie je parallelle krassen of strepen in de lengterichting van de vuistbijl, en een glanzend laagje mineraal op het oppervlak.’ Sorensen voerde verschillende experimenten uit om andere oorzaken van deze typische slijtage uit te sluiten. Hij maalde pigmentstoffen met vuistbijlen, scherpte er andere gereedschappen mee aan, en sloeg en wreef met de bijlen op allerlei soorten steen. ‘Een vuistbijl was het Zwitserse zakmes van de neanderthaler, ze deden er alles mee. Maar alleen het vuur maken met pyriet gaf exact dit type sporen.’

Microscopische opnames van de vuistbijlen: links de C-vormige putjes, rechts de krassen in de lengterichting van de vuistbijl.
Microscopische opnames van de vuistbijlen: links de C-vormige putjes, rechts de krassen in de lengterichting van de vuistbijl.

De wetenschappelijke paper van Andrew Sorensen et al. verscheen in Scientific Reports, en is online te lezen.

Tekst: Marieke Epping
Beeld: Andrew Sorensen/Scientific Reports

Mail de redactie

Vuur maken zoals in de prehistorie

Elke ervaren kampeerder kent het: met een stukje ijzer tegen een vuurstaafje slaan, de vonken opvangen op wat zachte tondel en voor je het weet brandt een behaaglijk kampvuur. Deze methode gebruiken we al sinds de ijzertijd, en zelfs daarvoor al sloegen jagers-verzamelaars met hun vuurstenen gereedschappen tegen stukjes pyriet om met de vonken een vuurtje te maken. Andrew Sorensen demonstreerde bij De Kennis Van Nu hoe dat vuur maken met een vuistbijl en pyriet in zijn werk ging. Bekijk de video

 

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie