Is vier jaar cel na een dodelijk ongeluk genoeg?
In de media beeld: Kajetan Sumila via Unsplash
Deze week werd Hams A. veroordeeld tot vier jaar cel voor het doodrijden van een 17-jarige jongen in Leiden. De zwaarte van deze straf roept vragen op. Jeroen ten Voorde, hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht, sprak hierover met Omroep West.
De 18-jarige Hams A. werd deze week veroordeeld tot vier jaar cel, waarvan één voorwaardelijk voor het doodrijden van een 17-jarige jongen op de Lammenschansweg in Leiden. Dat deed hij met een snelheid van 90 kilometer per uur, terwijl hij over de busbaan en door rood reed. Volgens de rechtbank was de Zoetermeerder twee weken eerder ook betrokken bij een verkeersruzie waarbij hij iemand mishandelde. Dat roept de vraag op of dit geen te lage straf is.
Volgens Jeroen ten Voorde is dat niet het geval: ‘Vier jaar is best een forse straf, zéker omdat het een jeugdige verdachte is.’ Volgens de wet zou voor een aanrijding als deze een gevangenisstraf van zes jaar kunnen worden opgelegd. Toch zijn er veel factoren die daarbij een rol spelen. ‘Wat hierin meespeelt, is dat de verdachte al wat op zijn kerfstok had. Niet alleen de aanrijding, maar ook de mishandeling in het verkeer. Dat zijn nare dingen en dan denk je wel: wat is er met deze jongen aan de hand?’ Daarom kiest de rechtbank voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke celstraf.
‘De rechter zegt niet: we sluiten je vier jaar op. Nee, ze zeggen ook: je moet je gaan melden bij de reclassering en je moet worden behandeld. Er moet écht gaan worden gewerkt om te voorkomen dat dit ooit nog een keer gebeurt’, vertelt Ten Voorde. ‘Er zijn op veel verschillende niveaus verliezers. In de eerste plaats de nabestaanden. Op een echt ander niveau ook deze jongen en zijn omgeving. Die moeten ook voor altijd met deze last verder.’ Hams A. is veroordeeld voor roekeloosheid: ‘Dat is de zwaarste vorm van schuld, nog zwaarder dan dood door schuld. Het gaat bij roekeloosheid om meer dan een verwijtbare onvoorzichtige gedraging.’