Universiteit Leiden

nl en

De relatie tussen kinderobesitas en andere aandoeningen

Wat is de relatie tussen ADHD en overgewicht bij kinderen? En is het terecht dat veel kinderen met overgewicht astmamedicijnen gebruiken? Op 22 mei promoveerde Yvette Lentferink op onderzoek naar de relatie tussen kinderobesitas en andere aandoeningen.

Astmamedicijnen vaak onterecht voorgeschreven

Ze keek bijvoorbeeld naar de combinatie obesitas en astma. Het is bekend dat 30 procent van de kinderen met obesitas astmamedicijnen gebruiken. Maar toen Lentferink een groep kinderen met obesitas met astmamedicatie nader onderzocht, kon ze bij 27,2 procent van hen niet de diagnose astma vaststellen. ‘Dat kan betekenen dat ze medicatie gebruiken die niet werkt voor hun klachten, terwijl ze wel bijwerkingen kunnen ondervinden,’ stelt Lentferink, die pleit voor adequatere diagnostiek.

ADHD en obesitas

Lentferink verdiepte zich ook in het effect van ADHD-medicijn methylfenidaat op de BMI.  Ze volgde 298 kinderen die het medicijn gingen gebruiken. Bij de groepen kinderen met een normaal gewicht en met overgewicht daalde de BMI. Maar statistisch vond Lentferink slechts een zwak verband met de dosis medicijn. Dat betekent dat de BMI-daling wellicht niet het gevolg is van minder eetlust, maar van de behandeling van de ADHD-symptomen. Dat sluit aan bij andere wetenschappelijke literatuur, die stelt dat onoplettendheid en impulsiviteit kunnen leiden tot onregelmatig eten en daarmee tot overgewicht. Een verband dat nader onderzocht moet worden, aldus de promovendus.

Insulineresistentie voorspellen

Bij insulineresistentie reageert het lichaam niet meer goed op het hormoon insuline, dat de hoeveelheid suiker in het bloed in balans houdt. Het is vaak de aanloop tot diabetes en is de spil bij het ontstaan van complicaties bij kinderen met obesitas. Lentferink onderzocht daarom het vóórkomen van insulineresistentie bij jongeren en zocht direct naar andere signalen die kunnen wijzen op insulineresistentie. Als risicofactoren voor insulineresistentie bij kinderen jonger dan 10 jaar vond ze afwijkingen in BMI (BMI-SDS), vroeggeboorte en puberteitsstadium. Bij adolescenten waren deze factoren BMI-SDS en tailleomtrek. Lentferink: ‘Artsen kunnen deze risicofactoren gebruiken om de screening naar insulineresistentie te optimaliseren.’

Ook vond ze bij adolescenten met obesitas een hogere arteriële vaatwandstijfheid dan bij adolescenten met gezond gewicht. Én adolescenten met obesitas en insulineresistentie hadden een hogere vaatwandstijfheid dan zonder insulineresistentie. Zorgelijk, want vaatwandstijfheid is een vroeg symptoom voor hart- en vaatziekten. Kinderen zouden er dus al jong op gescreend moeten worden, aldus Lentferink.

Diabetesmedicijn en BMI

Tot slot onderzocht Lentferink de effectiviteit van diabetesmedicijn metforminebij kinderen met obesitas en insulineresistentie. Langdurige metforminebehandeling bleek niet tot een verdere daling van de BMI te leiden. Uit andere onderzoeken is bekend dat de behandeling bij volwassenen wel leidt tot een BMI-daling. Lentferink denkt dat de verschillen tussen kinderen en volwassenen mogelijk worden veroorzaakt worden door verschillen in therapietrouw, mate van insulineresistentie en dosering van de metformine, die bij kinderen tot nu toe nog lager is dan bij volwassenen.

Kinderen met obesitas vormen een complexe patiëntenpopulatie, concludeert Lentferink. ‘Het is belangrijk dat we goed screenen op complicaties, adequaat diagnosticeren op andere aandoeningen, en als die worden vastgesteld zorgvuldig behandelen. Zo bieden we optimale zorg.’

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie