Universiteit Leiden

nl en

‘Beekvelt Poffertjes was mijn reality check’

Parlementair journalist en commentator Joost Vullings (alumnus Politicologie) gaat er zelden met gestrekt been in. Hij zoekt aantrekkelijk verpakte nuance met een knipoog. ‘Politiek gaat erover dat je met elkaar blijft praten, niet dat je elkaar uitsluit.’

Joost Vullings (47) heeft theater in de politieke verslaggeving gebracht. Dat deed hij als commentator in de ochtenduren op Radio 1, als gast bij DWDD en Jinek, en momenteel als commentator bij EenVandaag. Maar de meeste aandacht kregen de vlogs die hij maakte met NOS-collega’s Xander van der Wulp en Vincent Rietbergen. Snel, analytisch en kritisch, met vileine speldenprikken, vol tongue in cheek en zelfspot. Op zoek naar de individuele moraal, maar zonder opgeheven vingertje. Hip gefilmd en gemonteerd, voorzien van R&B-soundtracks die de meeste volgers op geen andere manier te horen zouden hebben gekregen dan via de iPhone van hun kinderen. Welk medium hij ook kiest, altijd weer die eigen stijl. Daarbij introduceert hij ook met enige regelmaat nieuwe begrippen, zoals – in een podcast met mede-presentator Max van Weezel – ‘Een bisschopje doen’: zeggen dat je iets niet zult gaan zeggen, maar het daardoor al gezegd hebben. Een politiek grapje dat SGP-Kamerlid Roelof Bisschop graag uithaalde.

Zonder theater geen politiek

Joost kwam niet zomaar terecht in het hart van de landelijke journalistiek; hij startte zijn carrière bij de lokale huis-aan-huiskrant Leids Nieuwsblad. In 1997 verwierf hij via zijn docent en Trouw-coryfee Willem Breedveld een stageplaats bij de NOS in Den Haag. Daarna ging hij als freelancer in Hilversum aan de slag. ‘Ik draaide daar veel nachtdiensten, leerde van dertien minuten ruw materiaal een item van drie minuten te monteren. Keuzestress, want ik vond alles wel interessant. Maar het ging me goed af. Ik ben als stagiair zelfs een paar keer op de radio te horen geweest. Bijvoorbeeld na een voordracht van Jaap de Hoop Scheffer in Hazerswoude. Ik had een recordertje meegenomen voor de zekerheid. Toen bleek de man daar ineens nieuws te gaan maken.’

Als verslaggever krijgt hij weleens het verwijt dat hij te veel de theatrale kant van de politiek zou benadrukken; veel vorm, te weinig inhoud. Dat verwijt wuift hij weg: ‘Het draait altijd om de combinatie van de inhoud en de menselijke factor. Politiek is mensenwerk en mensen zijn theatrale wezens. De politiek is een plek waar meningen samenkomen op weg naar belangrijke besluitvorming. Dat drama, triomf en teloorgang daar een wezenlijke rol in spelen, kun je de pers niet aanrekenen. Goede politici verwijten het ons ook niet als wij ze op hun fouten wijzen, weten dat dat onze rol is. Ze beseffen dat ze niet veel bereiken als ze hun boodschap saai zouden brengen. Dus peppen ze zich behoorlijk op voordat ze voor het oog van het volk hun verhaal doen. Ze moeten die irritatie die ze ooit hebben gevoeld opnieuw kunnen oproepen als er een microfoon onder hun neus geduwd wordt. Daardoor worden de emoties nogal eens aangezet. Dat is wat wij vastleggen en becommentariëren.’

Vertellen over de Haagse biotoop

Theater mag dan een belangrijk ingrediënt zijn, zelf typeert hij zijn stijl vooral als uitleggend. Misschien is daarbij wel een lijn te trekken van zijn grootvader – hoofdmeester in een Limburgs dorp – naar zijn analytisch en observerend ingestelde moeder – ‘baanbrekend in echoscopie’ – en vader – bioloog aan de Universiteit van Utrecht – naar Joost als politiek duider. ‘Wie heeft er genoeg tijd om te onderzoeken waarom de mensen in de Haagse biotoop doen wat ze doen? Ik wil daar als onderzoekend journalist graag over vertellen.’

Relativering is ook een van zijn kenmerkende eigenschappen. ‘Laten we eerlijk zijn, onze politiek gaat zelden over leven en dood. Iets blootleggen wat de macht echt geheim wil houden is prachtig, maar mijn taak is ook gewoon verslag doen en uitleggen wat er gaande is. Mensen vertellen wat er gebeurt zodat ze zelf een mening kunnen vormen, is voor mij de kern van mijn werk. Politiek is voor het grootste deel gewoon hard zwoegen aan wetsvoorstellen, vergaderen in zweterige zaaltjes en tot laat in de avond nota’s lezen. Sexy is het maar heel af en toe – uitgezonderd het werk van de fractieleiders misschien. Journalisten richten zich vooral op de hoofdzaken en het afwijkende. Ik probeer iets van relativering in te brengen door de spelers en ontwikkelingen wat breder te schetsen. De kampen zijn momenteel zo strak afgeregeld, dat dat ook geen kwaad kan. Als ik zie hoe partijen en kiezers op links en rechts polariseren, niet meer met elkaar willen praten, dreigen met rechtszaken, dan vind ik dat echt heel kwalijk. “Kom op jongens, denk ik dan, doe even normaal.” Politiek gaat erover dat je juist wel met elkaar blijft praten.’

Kelner in poffertjeskraam

De nuance zocht hij al tijdens de studie. ‘Die periode deel ik altijd in drieën op: de studie, Augustinus en mijn bijbaan. Op Augustinus leerde ik samenwerken, dingen opbouwen, werken aan groepsgevoel. Ik was lid in de tijd dat het allemaal wat studentikozer werd op de vereniging, was medeoprichter van een dispuut dat nogal corporale trekjes had, de Tempeliers. We richtten aan het Rapenburg een disco op (Lucky Drive) en een casino (Lucky Strike) en zijn nog steeds goede vrienden.’ De studentenvereniging was een geïsoleerd wereldje. Daarom dompelde hij zich ook onder in het leven buiten Leiden. ‘Ik werkte samen met wat dispuutsgenoten als kelner in poffertjeskraam Beekvelt, en trok daarmee het hele land door. Dat was mijn reality check. Van de burgemeester tot de lokale crimineel, echt alles en iedereen kwam langs in de kraam. Daardoor leerde ik dat mensen met extreme uitlatingen onderliggende angsten en ongemak hebben die je serieus moet nemen. Ik was het meestal niet met ze eens, maar begreep waar hun angsten vandaan kwamen. Dan had ik een heftige avond gedraaid op een kermis in de Bijlmer, en schoof ik de maandag erna aan bij een hoogoplopende discussie over die verfoeide Centrumpartij in een werkgroep. “Jullie argumenten zijn allemaal wel heel erg academisch”, zei ik dan.’ Uit zijn voeling met die andere kant van de medaille is later zijn boek ‘De Kinderen van Pim’ ontsproten, over de opkomst en neergang van de LPF.

Dit is een verkorte versie van het interview met alumnus Joost Vullings in de mei-editie van ons alumnimagazine Leidraad. Lees hier het volledige artikel.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie