Universiteit Leiden

nl en

‘De rol van de taalwetenschapper is nog lang niet uitgespeeld’

Hersenonderzoek en statistiek dragen bij aan een beter begrip van talen en taalverwerving. Toch blijven taalwetenschappers nog altijd hard nodig, zegt hoogleraar Nederlandse Taalkunde Sjef Barbiers. Oratie op 8 december.

Geloof het of niet, maar in de tweede helft van de vorige eeuw waren de taalwetenschappen geweldig sexy en populair. Dat zegt hoogleraar Sjef Barbiers. ‘De  cognitiewetenschappen en computerwetenschappen, twee belangrijke inspiratiebronnen van de moderne taalkunde, waren jong en veelbelovend. De syntaxis van natuurlijke taal was een vrijwel onontgonnen terrein waar taalwetenschappers zich op konden uitleven.

Wetenschapsveld in crisis?

Anno 2017 is het volgens menig taalwetenschapper gedaan met het sexappeal van deze benadering van de taalwetenschap.  Het wetenschapsveld zou in een crisis verkeren. Als je taal als een cognitief verschijnsel wil bestuderen, kun je tegenwoordig immers hersenonderzoek doen en op die manier direct zien welke hersengebieden activiteit vertonen tijdens het spreken of leren van een taal. En het bestuderen van talen kan ook heel goed op basis van grootschalige data en algoritmes. Waar heb je dan nog de gewone taalwetenschap voor nodig?

In zijn oratie laat Barbiers zien dat de theoretische taalkunde nog springlevend is, wat critici ook mogen beweren. De rol van de taalwetenschap is volgens hem nog lang niet uitgespeeld. Want wil je de taalkunde vooruit helpen met neurocognitief onderzoek en data science, dan blijft een taalkundige analyse volgens Barbiers noodzakelijk om de resultaten op een correcte manier te interpreteren. ‘Taaltechnologie kan nog steeds essentiële dingen niet die mensen wel kunnen. Google Translate begrijpt nog steeds niets van taal.’ Volgens de onderzoeksleider van Google Europa, Emmanuel Mogenet, nadert de artificiële intelligentie op dit moment het intelligentieniveau van een slang. Er is zacht gezegd nog veel werk te doen.

Algemene zinsbouwprincipes

Barbiers noemt als voorbeeld zinsconstructies waarin twee woorden die bij elkaar horen niet naast elkaar staan, zoals waar en mee in de zin Waar denk je dat hij de auto mee repareert?, een heel gewoon verschijnsel in menselijke taal. Zulke constructies zijn een probleem voor vertaalmachines. Kleuters hebben daarentegen juist de neiging woorden uit elkaar te zetten die niet uit elkaar kunnen, zoals het werkwoord noem en de verledentijdsuitgang –te in de zin Dan noem-ik-te jou Sinterklaas, een zin die in volwassen Nederlands niet goed is.

Barbiers: ‘Dit verschijnsel wordt pas echt interessant in het licht van de hypothese dat in alle talen van de wereld de zinsopbouw op abstract niveau hetzelfde is.’ Dan blijkt dat kinderen in deze kindertaalzin creatief gebruik maken van de zinsposities van het werkwoord die in heel veel talen beschikbaar zijn. Kinderen leren hun moedertaal dus niet door simpelweg te imiteren, want ze horen dit soort zinnen niet van volwassenen. Je ontdekt deze algemene zinsbouwprincipes volgens Barbiers alleen door zoveel mogelijk talen en dialecten met elkaar te vergelijken. Daar is een schone taak weggelegd voor taalwetenschappers, meent hij.

Sterke uitgangspositie Nederland

Nederlandse taalwetenschappers hebben volgens Barbiers een geweldige uitgangspositie in vergelijking met hun buitenlandse collega’s. ‘Nergens in de wereld bestaan van een taal en zijn dialecten zulke omvangrijke, gevarieerde en toegankelijk digitale dataverzamelingen, beschrijvingen en taalatlassen. Ook de wijze waarop de Nederlandse taalkunde georganiseerd is in de Landelijke Onderzoeksschool Taalkunde is in internationaal opzicht volstrekt uniek. Alle voorwaarden zijn dus aanwezig om de Nederlandse taal en taalkundigen een centrale rol te laten spelen in de toekomst van de taalwetenschappen.’ Wie weet maakt het de taalwetenschapper even sexy als voorheen.