Universiteit Leiden

nl en

Paul Verhoeven: ‘Ik voel me op mijn gemak bij vrouwen’

Filmregisseur Paul Verhoeven studeerde van 1956 tot 1964 in Leiden. Vijftien jaar later zette hij de stad wereldwijd op de kaart met zijn Soldaat van Oranje. Met zijn nieuwste film Elle won hij een Golden Globe en binnenkort is hij als eerste Nederlander jurylid bij de Biënnale van Berlijn. Op 31 januari zendt KRO-NCRV's Brandpunt een reportage over Verhoeven uit.

Op 3 maart 1945 zag de zesjarige Paul ­Verhoeven hoe 51 geallieerde bommenwerpers per ongeluk hun bommen ­losten boven zijn woonwijk, het Haagse ­Bezuidenhout. Paul was op dat moment ingekwartierd bij vrienden van zijn ouders elders in de stad, en zag de hemel angstig rood kleuren. Zijn vader en moeder waren wel in het ­Bezuidenhout. Ze ­wisten te overleven door onder het Schenkkade-­viaduct te schuilen.

Zorgde de sfeer van intimidatie, verraad en geweld voor een definitieve afkeer van de oorlogstijd?

‘Integendeel, het is een vertrouwde, realistische wereld; het absurde, de plotselinge wendingen, ik groeide ermee op. Van het geluid van een twee­motorig propellervliegtuig krijg ik nog steeds een veilig gevoel. En al zijn het oorlogsfilms, in Soldaat van Oranje en Zwartboek zit ook die geborgenheid.’

Je stijl wordt wel vergeleken met strips.

‘Tijdens de oorlog las ik de strips van Tom Poes en vooral Dick Bos, een detective en jiujitsu-­specialist die de misdaad hard maar eerlijk aanpakte. Later kwam daar Kuifje bij. Die strips ­hebben mijn fantasie meer gestimuleerd dan de oorlog. Hoewel de geestelijk vader van Dick Bos, Alfred Mazure, bewust of onbewust de hele sfeer van de oorlog in zijn strips verwerkte. Ik ­bladerde laatst weer eens door wat delen en zag dat ik onbewust sommige van mijn filmscènes bijna ­letterlijk heb afgeleid van Dick Bos.’

Eer je al je iconen?

‘Ja, in de film zijn dat Bergman, Buñuel, Fellini en – waar ik ’t meest van heb geleerd – Hitchcock. Ik heb altijd hun niveau willen evenaren. Filmen is geen wedstrijd, maar ik heb wel de concurrentie aan willen gaan met mijn inspiratiebronnen en internationale tijdgenoten. Ik wil dat mijn ­Hollandse werk ook in New York overeind blijft. Ik concurreer niet met Alex van Warmerdam, maar met Steven Spielberg. Die internationale ambitie mis ik bij jonge filmmakers.’

Hoe herkennen we die inspiratiebronnen in je werk?

‘Dat wisselt. In mijn avonturenfilms kom je natuurlijk weinig stijlelementen van ­Buñuel tegen. Maar je kunt ook naar andere ­aspecten ­kijken. De manier waarop Bergman ­vrouwen neerzet, bijvoorbeeld: sterk en superieur. ­Mannen zijn bij hem meestal dubieuze figuren. Zo film ik ze ook, in vrijwel al mijn films. Ik heb meer met vrouwen, bewonder ze. Op school waren ze al beter dan de jongens. Ik voel me op m’n gemak bij vrouwen. Geen macho-gedoe. Ik drink ­liever ­koffie met een vrouw dan bier met een man.’

Was het al vroeg duidelijk dat je de filmwereld in wilde?

‘Mijn interesse ging uit naar tekenen en schilderen. Maar ik volgde een traditioneel pad. Eerst het Gymnasium ­Haganum, daarna een tussenjaar in Frankrijk om de taal goed te leren, en toen naar Leiden – zoals veruit de meeste klas­genoten. Ik was goed in bèta-vakken en koos voor ­Wiskunde, met bijvak Natuurkunde. Dat paste ook goed in de wederopbouw; alfa-studies waren toen nauwelijks in ­Frage. We moesten het land immers weer opbouwen.’

Maar je filmde al wel tijdens je studie?

‘In mijn studiejaren heb ik vier korte films gemaakt, één daarvan – Een hagedis teveel – in opdracht van Minerva. Dat spoor volgde ik dus al, experimenterend. Filmen was duur, dus hield ik het zo goedkoop mogelijk. Ik werkte met huisgenoten als acteurs, belichtte de boel met de hoogtezon van mijn moeder. De setting was ook steevast mijn studentenkamer op de hoek van de Langebrug en de Pieterskerk Choorsteeg.’

Je was dus actief op Minerva?

‘Ik illustreerde een aantal almanakken, schilderde panelen voor feesten en maakte deze film. En ik kwam er ook wel voor de gezelligheid hoor. Maar het zogenaamde corpsleven, dat trok me niet. De gesprekken vond ik oninteressant. Je kon mij wel iedere dag vinden in de universiteitsbibliotheek aan het Rapenburg. Ik studeerde behoorlijk serieus.’

Na je kandidaats meldde je je aan bij de ­Filmacademie, die toen net was opgericht…

‘Daar heb ik een jaar op gezeten, in 1960, maar ik vond het niveau ronduit slecht. Uiteindelijk heb ik mijn doctoraal maar netjes afgemaakt. Wel verbreedde ik mijn blik; ik ­volgde twee jaar lang colleges parapsychologie bij professor ­Wilhelm Tenhaeff in Utrecht. Over leven na de dood, helderziendheid, telepathie, dat soort zaken. Ik mocht dit niet meerekenen in Leiden, want het werd hier als pseudo­wetenschap beschouwd. Wel heb ik met mijn vrienden eens een introductie over parapsychologie gegeven bij studie­vereniging De Leidsche Flesch. Ik zei toen: “Ik heb ontdekt dat er een medium onder ons is”, en wees vervolgens mijn vriend Frits Berends aan, de latere hoogleraar Theoretische Natuurkunde. Hij leidde toen een seance. Gespeeld natuurlijk. Niemand wist dat hij een zeer goede goochelaar was.’

Lees verder in ons gratis alumnimagazine Leidraad

De uitzending van KRO-NCRV's Brandpunt met de profielreportage over Paul Verhoeven wordt uitgezonden op dinsdag 31 januari om 20.25u op NPO 2.