Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Veiligheids- en inlichtingendiensten speelbal van verschillende belangen

Historicus Constant Hijzen onderzocht de reacties op de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten tussen 1912 en 1992 en de invloeden daarvan. Periodes van consensus over wat de diensten moesten zijn of doen, wisselden zich af met tijden van reuring. Promotie op 16 november.

Macht

Zolang er macht bestaat, bestaat ook de behoefte aan informatie: machthebbers hebben altijd willen weten welke al of niet bedreigende krachten rond hen actief waren. Daarbij kon de loyalist van vandaag de verrader van morgen zijn. ‘Spioneren wordt in de literatuur steevast omschreven als het op één na oudste beroep van de wereld’, zegt Hijzen.  

Constant Hijzen

Eerste Wereldoorlog

In Nederland zou het spioneren pas aan het begin van de 20ste eeuw institutioneel worden met de oprichting van een centrale, militaire inlichtingendienst in 1912. Het was de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Het broeide in Europa  en Nederland had behoefte aan kennis over de capabilities en de intenties van de Europese legers. Nog steeds zijn dit centrale begrippen in de wereld van veiligheid en inlichtingen: wat kán de vijand en wat zijn z’n bedoelingen?

Dreiging niet objectiveerbaar

Voor de duidelijkheid legt Hijzen uit dat ‘veiligheid’ in de regel betrekking heeft op het binnenland, en ’inlichtingen’ op het buitenland. Soms bestonden twee afzonderlijke diensten voor deze twee gebieden, in andere tijden werden  ze samengevoegd. Zoals nu in de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst, de AIVD. Hijzen concludeert: ‘Het staat nooit vast wat voor soort dienst precies nodig is. Want wie bepaalt wat de grootste dreiging is? Dat is ook nauwelijks objectiveerbaar. Veiligheids- en inlichtingendiensten zijn, behalve van de dreiging zelf, altijd het product van de vigerende beeldvorming  van de bedreiging en van het krachtenveld dat op dat moment  dominant is. En daar spelen altijd emoties in mee.’

Troelstra

Hijzen onderscheidt drie krachtenvelden rond de diensten: de politieke, de ambtelijke en de maatschappelijke.  Na de Eerste Wereldoorlog lag het belangrijkste krachtenveld in de politiek, en wel in de persoon van de revolutionair Pieter Jelles Troelstra, medeoprichter van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de SDAP. Na geslaagde revoluties in Duitsland en Rusland meende hij dat ook Nederland  rijp was voor een brede opstand tegen koning en kapitalisme.  Maar hoewel hij al snel zijn ongelijk moest erkennen, richtte de ambtenarij in het grootste geheim de eerste veiligheidsdienst op. Deze legde lijsten aan van personen en groeperingen met mogelijk revolutionaire intenties.

Het communistisch gevaar

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was alles anders. Maar toen daarna bleek dat de Russen zo hun eigen opvatting hadden over hun invloedssfeer met betrekking tot  Oost-Europa, begon de Koude Oorlog: veiligheid en inlichtingen kwamen in het teken te staan van het communistisch gevaar. Politiek en maatschappelijk bestond daar consensus over. Maar ondertussen ruzieden de ambtenaren over de vraag bij welk ministerie de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD)  thuishoorde: bij dat van Oorlog (zoals in het Interbellum), Justitie of Binnenlandse Zaken. Binnenlandse Zaken won de strijd.

Joop den Uyl

Den Uyl en Van Mierlo

De jaren zestig waren roerig. De samenleving en het parlement begonnen zich te verzetten tegen het gebrek aan openheid van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Ondanks dat al in 1952 een parlementaire commissie was opgericht (de huidige commissie ‘stiekem’) die inzicht kreeg in de activiteiten van de dienst. Van een ‘klachtencommissie’ werd zij, vooral onder invloed van Joop den Uyl (PvdA) en Hans van Mierlo (D66), een kritisch controlerend orgaan. Die kritische opstelling nestelde zich in tijdgeest. ‘De stemming was: weg ermee, opheffen!’, zegt Hijzen. Zover kwam het niet. Wel kwam er een nieuw diensthoofd die meer openheid betrachtte.  De Sovjet-Unie bleef het grootste gevaar.

Val van de muur

Medio  jaren tachtig begon met Michael Gorbatsjov een meer ontspannen fase in de relatie tussen De Sovjet-Unie en het Westen, culminerend in de val van de muur in 1989. In de ogen van de politiek was de dienst inmiddels een ‘verouderd en verkalkt’ orgaan geworden. Onder leiding van Arthur Docters van Leeuwen, directeur Openbare Orde en Veiligheid bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, later onder verantwoordelijkheid van ‘zijn’ minister, Ien Dales, begon een fundamentele heroverweging van veiligheid en inlichtingen. De twee keken systematisch: wat zijn nu eigenlijk de dreigingen en wat moet er gebeuren om die te bezweren? Daar kwam nieuwe focusgebieden uit met daarop onder meer de georganiseerde misdaad en de internationale drugshandel. En een nieuwe vormgeving van het veiligheids- en inlichtingenwerk.

Arthur Docters van Leeuwen

9/11

Hijzens onderzoek eindigt in 1992 toen het werk van Docters van Leeuwen en Dales had geresulteerd in een nieuwe, totaal herziene BVD – onder leiding van Docters van Leeuwen zelf. Het jongste keerpunt,  het ‘islamitisch gevaar’ met 9/11 als ijkpunt, lag nog in het verschiet. Weer een nieuwe periode. Maar ook voor contemporaine geschiedschrijving is afstand in de tijd nodig; Hijzen koos voor 25 jaar.

Promotie van Constant Hijzen op 16 november

 

Foto banner: het gebouw van de Binnenlandse Veiligheidsdienst in 1972, President Kennedylaan, Den Haag (Bron: Haagse beeldbank)

(CH)