Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Dialecten als sleutel tot de Japanse prehistorie

Niet altijd werd in Japan Japans gesproken. Wetenschappers verbinden de komst van de taal naar Japan met de migratie van boeren rond 400 v. Christus. Taalkundige Elisabeth de Boer gaat met een ERC Starting Grant onderzoek doen naar de verdere verspreiding van de taal in Japan.

Natte rijstbouw

De woorden ’Ainu taal’, geschreven in het Ainu
De woorden ’Ainu taal’, geschreven in het Ainu

De sprekers van het Japans begonnen rond 400 v. Chr. (de prehistorie) het tegenwoordige Korea naar Japan te trekken om op het zuidwestelijke eiland Kyushu natte rijstbouw te beginnen.

Ainu in het noordoosten

Archeologische vondsten tonen aan dat ze zich van daaruit naar het noordoosten verspreidden. Een taalkundig overblijfsel van deze geschiedenis is dat de bijna uitgestorven Ainu-taal – de laatst overgeblevene van de vele talen die oorspronkelijk in Japan gesproken moeten zijn – zich het langst gehandhaafd heeft in het noordoosten.

Merkwaardige verspreiding van toonsystemen

Maar dit is niet het enige overblijfsel. De verschillende toonsystemen in de Japanse dialecten hebben een heel merkwaardige verspreiding: na eerder onderzoek heeft De Boer de geschiedenis van deze toonsystemen radicaal herschreven en aangetoond dat toonsystemen in een aantal verre uithoeken van Japan, allerlei vernieuwingen met elkaar delen. Ook op andere gebieden zijn er opvallende overeenkomsten tussen deze dialecten.

Migratie kan verklaring zijn

Dit is het omgekeerde van wat je zou verwachten: mensen die ver van elkaar verwijderd zijn kunnen normaal gesproken geen vernieuwingen in hun taal aan elkaar doorgeven. Zeker gezien de manier waarop de Japanse taal naar Japan is gekomen, zou migratie een verklaring kunnen zijn. Ook is opgevallen dat juist in een aantal van deze gebieden de eerste verspreiding van de bronscultuur in Japan is te vinden.

Reconstructie dialecten-stamboom

Toonkaart van Japan. Er zijn veel verschillende toonsystemen in de Japanse dialecten. Op deze kaart is te zien waar welk type voorkomt. Voor het onderzoek van De Boer zijn de groene gebieden relevant.
Toonkaart van Japan. Er zijn veel verschillende toonsystemen in de Japanse dialecten. Op deze kaart is te zien waar welk type voorkomt. Voor het onderzoek van De Boer zijn de groene gebieden relevant.

Nooit is goed onderzocht hoe deze dialecten precies aan elkaar verwant zijn. Het reconstrueren van een betrouwbare stamboom voor de dialecten is daarom een eerste doel van het project van De Boer. Met name de gecompliceerde toonsystemen zijn daar ideaal onderzoeksmateriaal voor. De methoden die De Boer met haar team gaat toepassen, zijn onder meer veldwerk in de verschillende dialectgebieden, taalkundige analyse daarvan, en onderzoek naar de geschriften waarin de oudste vorm van dit dialecttype is vastgelegd.

 

Beter inzicht door taalkundig onderzoek

Tot nu toe probeerden wetenschappers de prehistorische migratiestromen in Japan enkel en alleen te reconstrueren op basis van archeologische gegevens. De uitkomsten van De Boers project maken het mogelijk om op grond van bestudering van de dialecten, veel meer in detail in kaart te brengen hoe de voorouders van de huidige Japanse bevolking naar Japan kwamen en zich over de eilanden verspreidden.

Blijk van erkenning

Ainu-ceremonie in 1999
Ainu-ceremonie in 1999

De Boer: ‘Dit is een geweldig blijk van erkenning waar ik ontzettend blij mee ben. Mijn onderzoek naar de Japanse toonsystemen schopte heel wat heilige huisjes omver, en het heeft daarom tijd gekost voor mijn ideeën ingang vonden. Dat ik nu deze grote onderzoeksbeurs krijg, betekent dat ik kan onderzoeken welke implicaties mijn werk heeft voor de Japanse prehistorie, en dat is fantastisch.’

(17 november 2015/Elisabeth de Boer/CH)

De ERC (European Research Council) Starting Grants zijn bestemd voor onderzoekers met twee tot zeven jaar ervaring na het behalen van de doctorsgraad (of een gelijkwaardige graad) en een veelbelovende wetenschappelijke staat van dienst. De subsidie bedraagt 1,5 tot maximaal 2 miljoen euro per onderzoeksproject.