Handelsverbod op producten uit door Israël bezette gebieden
In de media beeld: Tara Clark via Unsplash
Een nieuw Nederlands handelsverbod op producten uit door Israël bezette Palestijnse gebieden gaat op 22 september 2026 in. Larissa van den Herik, hoogleraar internationaal recht, lichtte de juridische aspecten van de maatregel toe in een gesprek met de regionale omroep VMRG.
Stichting Christenen voor Israël, die producten uit deze gebieden importeert en verkoopt, stelt dat het verbod eenzijdig wordt toegepast. Volgens de stichting zijn er ook andere betwiste of bezette gebieden waarvoor vergelijkbare maatregelen niet gelden.
Volgens Van den Herik gaat de kritiek dat het internationaal recht in deze kwestie selectief wordt toegepast niet op. Het feit dat regels elders mogelijk ook worden geschonden, betekent volgens haar niet dat er in deze situatie geen maatregelen kunnen worden genomen. ‘Dat zou zijn alsof een moordenaar zegt: ik kan niet worden berecht, want er lopen nog andere moordenaars vrij rond.’ Zij wijst daarnaast op het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 2024, waarin het Hof oordeelde dat Israël in de bezette Palestijnse gebieden het internationaal humanitair recht en de mensenrechten op grove wijze schendt. ‘Alle staten hebben de verantwoordelijkheid om dit soort schendingen te beëindigen. Het invoerverbod is een uitwerking van die verantwoordelijkheid.’
De stichting beroept zich onder meer op de Oslo-akkoorden, waarin afspraken zijn gemaakt over het bestuur in de Palestijnse gebieden. Volgens Van den Herik geven deze akkoorden Israël echter geen recht op annexatie van Palestijns gebied of op permanente aanwezigheid daarin. Als bezettende macht heeft Israël volgens het internationaal recht verplichtingen tegenover de Palestijnse bevolking, waaronder de plicht om zorgvuldig om te gaan met natuurlijke hulpbronnen. Het Internationaal Gerechtshof heeft onder meer gewezen op problemen rond het beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals water. Volgens Van den Herik is het invoerverbod niet gericht tegen Israëliërs als zodanig maar adresseert het ernstige schendingen van internationaal recht, geweld en extremisme.’