Universiteit Leiden

nl en

Beter begrijpend lezen

Hoe kunnen we kinderen en volwassenen helpen om beter begrijpend te leren lezen? Paul van de Broek en zijn medewerkers in het Brain and Education Lab zoeken een antwoord door het lezen en de daaraan gekoppelde hersenactiviteit te onderzoeken.

Lezen is een zeer complex proces

Goed kunnen lezen is een essentiële voorwaarde om te kunnen leren. Zo'n 10 tot 15 procent van de Nederlandse bevolking heeft moeite met begrijpend lezen, oftewel: de inhoud van de tekst snappen. Hoogleraar Paul van den Broek doet daarom onderzoek naar het verband tussen begrijpend lezen en onze hersenen: wat gebeurt er in het menselijk brein terwijl we een tekst lezen? En, kunnen we, als we die processen in kaart hebben gebracht, mensen helpen om beter begrijpend te leren lezen?

'Na jaren onderzoek moeten we concluderen dat we eigenlijk nog weinig begrijpen van wat er in het brein gebeurt tijdens lezen', vertelt Van den Broek. 'Voor elk onderdeeltje van lezen is een ander deel van de hersenen actief, dat weten we inmiddels wel.. Er is dus niet één gebied – of zelfs een paar gebieden – waar lezen ‘gebeurt’. Daarom proberen we steeds afzonderlijke delen van het proces te begrijpen, en die stukjes uiteindelijk aan elkaar te passen.'

Ruim 1 op de 10 Nederlanders heeft moeite met begrijpend lezen.

Onderscheid in problemen bij begrijpend lezen

Van den Broek is hoofd van het Leidse Brain en Education Lab. In het onderzoek lezen kinderen en volwassenen stukken tekst, terwijl hun oogbewegingen en hersenactiviteit worden gemeten. Stukje bij beetje komt hij zo meer te weten over begrijpend lezen. 'We hebben inmiddels verschillende groepen kinderen weten te onderscheiden, die elk hun eigen probleem hebben. Als eerste is er een groep die zich op een paar hele specifieke zinnen richt als je hen de opdracht geeft om de inhoud van een tekst te begrijpen. In plaats van dat ze naar de hele tekst kijken, blijven ze dus op een klein stukje 'hangen'. Een tweede groep kijkt weliswaar in de tekst verder dan een paar specifieke zinnen, maar gaat daarbij naar andere zinnen die helaas minder relevant zijn om de tekst te begrijpen.

'Een derde groep zwakke lezers  proberen zinnen te begrijpen door ze te koppelen aan eigen ervaringen. Dat is op zich heel goed – dat doen goede lezers ook – maar daarbij gebruiken ze dan net de verkeerde associaties. Als je bijvoorbeeld leest over hoe het tandwiel op een fiets werkt, zal iemand die goed leest misschien denken: dat doet me denken aan de boot van mijn oom, die heeft ook een rad dat de boot voortstuwt. Een minder bruikbare associatie kan zijn: 'mijn oom heeft ook veel fietsen.' De eerste associatie helpt om het doel van de tekst, de werking van een tandwiel, te begrijpen. De tweede associatie niet.'

In de komende jaren hopen Van den Broek en zijn collega's voor deze specifieke groepen de hersenactiviteit te onderzoeken en te kunnen vergelijken. En die samen met andere vormen van leesgedrag worden in kaart te brengen.

Toepassing op scholen

De onderzoekers van het laboratorium staan in contact met scholen in binnen- en buitenland, om gevonden 'puzzelstukjes' toe te passen in het onderwijs. Zo leiden ze mensen op, die bij scholen aan de slag gaan met eerdergenoemde groepen kinderen en interventies plegen. 'Je ziet dat die interventies werken. We laten verschillende kinderen een stuk tekst lezen, en dan blijken de kinderen mét interventie de tekst beter te begrijpen dan kinderen die de tekst lazen zonder interventie. We zijn momenteel aan het onderzoeken of die kinderen die de interventie hadden, geleerd hebben hiervan en nu ook andere teksten beter zullen begrijpen.'

Bij het onderzoek lezen leerlingen een tekst in tweetallen. De kinderen die een interventie ondergaan stellen elkaar nauwkeurig voorgeschreven vragen. Het vraag- en antwoordgesprek blijkt begripsverdiepend te zijn.

Brain and Education Lab
Instituut Pedagogische Wetenschappen, afdeling Onderwijsstudies

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie