Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Onderzoeksproject

Moord- en doodslag (Homicide)

Een onderzoek naar moord en doodslag.

Contact Paul Nieuwbeerta
Financiering Universiteit Leiden

Karakteristieken van dit onderzoeksproject

Hoeveel?
Het aantal personen dat door geweld om het leven wordt gebracht is de afgelopen jaren fors gedaald. In het vorige jaar, 2009, werden 178 moorden gepleegd. Een jaar eerder waren dat er 161. In 2007 vonden er 143 moorden plaats; dat cijfer was tevens het laagste moordcijfer in vele decennia.

Wie?
Moord is net als de meeste vormen van criminaliteit vooral een mannenzaak; de meeste slachtoffers en de meeste daders zijn man. Vrouwen zijn in het bijzonder bij moorden in de relatiesfeer betrokken en dan ook nog meestal als slachtoffer. Wanneer vrouwen een moord plegen, is dat vrijwel altijd in de familie/relatiesfeer en maar heel zelden in de criminele sfeer.

Wat?
Moorden kunnen worden ingedeeld op grond van de relatie tussen de daders en slachtoffers en de context waarin de moord heeft plaatsgevonden. In totaal onderscheiden we negen categorieën: vier typen moorden in de familiesfeer (kinder- en ouderdoding, partnerdoding en overige moorden in de familie), twee typen in de criminele sfeer (roofmoord en overige moorden in criminele sfeer, inclusief liquidaties), moorden bij ruzies, seksuele moorden en overige moorden. Moordzaken die niet door de politie zijn opgelost, hebben we niet ingedeeld. Immers: Om een moord in te delen in een categorie, is het nodig te weten wat de relatie is tussen dader en slachtoffer.
Het grootste deel van de moorden in de familie-/relatiesfeer betreft partnerdodingen. Hieronder verstaan we alle moorden waarbij de ene (ex)partner de andere (ex)partner vermoordt. Ook zaken waarbij rivalen in de liefde werden vermoord, zijn hierbij ingedeeld. Tezamen vormen de slachtoffers van partnerdodingen en dodingen van rivalen bijna een vijfde van alle moordzaken in Nederland. In de familie-/relatiesfeer vinden ook kinder- en ouderdodingen plaats. Samen vormen zij ongeveer 5% van het totaal. Bij de resterende moordzaken in de familie-/relatiesfeer zijn anderen dan partners, ouders en/of kinderen om het leven gebracht. Het betreft hier moorden op bijvoorbeeld broers, zussen, ooms en tantes. Ook gevallen van eerwraak en bloedwraak rekenen we hieronder. Tezamen omvat de categorie ‘overige moorden in de familie’ zo’n 5 procent van alle moorden.
De tweede categorie betreft moordzaken die zich hebben afgespeeld in het criminele milieu. Dat wil zeggen dat de dader en/of het slachtoffer bij criminele praktijken betrokken was. De meeste daarvan hebben te maken met drugs. Dit loopt uiteen van drugsverslaafden die elkaar vermoorden en verslaafden die hun dealers vermoorden, tot handelaars in drugs die elkaar vermoorden bij een ripdeal. Ook afrekeningen in het criminele milieu vallen hieronder. Van alle moordzaken vallen ongeveer 11% in deze categorie. Daarnaast onderscheiden we roofmoorden. In 7% van alle moorden was er sprake van een roofmoord. Hierbij vielen slachtoffers bij berovingen, overvallen en inbraken. Naast roofmoorden worden er ook moorden gepleegd in de criminele sfeer.
Een andere grote categorie die we onderscheiden, zijn moorden bij ruzies. In dergelijke gevallen leidt een kort- of langlopend conflict tussen vrienden, kennissen of onbekenden tot een gewelddadige dood. We hebben alleen die gevallen van moord en doodslag hierbij opgenomen waarbij daders en slachtoffers geen naaste familie zijn en elkaar niet uit het criminele circuit kennen. In de afgelopen tien jaren betrof het 20 procent van alle moorden.
Als aparte categorie onderscheiden we voorts nog moorden in de seksuele sfeer. Hieronder verstaan we moordzaken in de prostitutiesfeer en/of moordzaken waarbij slachtoffers zijn aangerand of verkracht. Van ongeveer 4% van alle moordzaken hebben we kunnen vaststellen dat dit het geval was. Naast deze categorieën is er nog een ‘restcategorie’. Het gaat hier om moorden waarbij we soms wel informatie hebben over de relatie tussen dader(s) en slachtoffer(s) en de toedracht van de moordzaak, maar die toch niet in de eerdergenoemde categorieën zijn in te delen.
Daarnaast betreft het moordzaken die we niet hebben kunnen indelen omdat we in deze zaken niet genoeg informatie hebben over de relatie tussen de daders en slachtoffers om te kunnen beoordelen wat voor type moordzaak het precies betrof. De ‘restgroep’ omvat ongeveer 10 procent van alle moorden in Nederland. Het gaat om een zeer heterogene groep.

Waar?
In de onderzochte periode werden de meeste slachtoffers gedood in de grote steden: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Binnen deze steden bestaan er echter forse verschillen tussen buurten.

Wanneer?
In de zomer vinden er iets meer moorden plaats dan in andere seizoenen. Tevens blijkt, dat in ongeveer eenderde van de moorden in het het weekend plaatsvindt. 

Hoe?
In de onderzochte periode is ruim eenderde van de slachtoffers omgebracht met een schietwapen. Ook ongeveer eenderde is omgebracht met een steekwapen. Er zijn duidelijke verschillen tussen de afzonderlijke categorieën moorden: Vuurwapens worden gebruikt in het merendeel van de liquidaties en bij andere moorden in het criminele milieu. 

Data onderzoeksproject 'Moord en Doodslag in Nederland'

Tot voor kort was er in Nederland geen adequate databank of statistiek bestond met betrouwbare gegevens over alle zaken, slachtoffers en daders. Daarom is in 2001 begonnenmet het opbouwen en bijhouden van de Databank Moord en Doodslag. Inmiddels bevat de databank informatie over alle moorden die in de periode 1992–2006 zijn gepleegd.

In het gecreëerde databestand zijn gegevens opgenomen van alle misdrijven die volgens het Wetboek van Strafrecht vallen onder de categorieën moord (art. 289 en 291 WvSr.) dan wel doodslag (Art. 287, 288 en 290 WvSr.). De doodslagen betreffen delicten waarbij de dader het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Als de doodslag plaatsvindt met voorbedachten rade is er sprake van moord. Bij het bepalen of een misdrijf een moord betrof is in principe uitgegaan van de kwalificatie van het delict door het Openbaar Ministerie of - waar (nog) geen vervolging was ingesteld - van het oordeel van de politie.

De databank bevat informatie over 3.259 gevallen van moord of doodslag die in de periode 1992–2006 in Nederland zijn gepleegd. Bij deze moorden zijn in totaal 3.484 personen om het leven gebracht. Omdat niet alle moorden zijn opgelost is niet van elke moord de dader bekend. In totaal is van 4.174 personen bekend dat zij als dader betrokken waren bij een moord of doodslag.

Van de moorden, slachtoffers en daders is een relatief beperkt aantal kenmerken bekend: de pleegdatum, de plaats/gemeente en informatie over de vindplaats. Daarnaast is bekend met wat voor wapen de moord is gepleegd. Van slachtoffers en daders is bekend of het een man dan wel een vrouw betrof, de leeftijd, zijn of haar etniciteit of nationaliteit en de relatie tussen daders en slachtoffers. Van de vervolgde daders zijn eveneens de door het om geëiste en de door de rechters opgelegde straffen bekend.

Bronnen

Om de databank te construeren is gebruikgemaakt van alle in Nederland beschikbare bronnen. Deze gegevens kunnen niet zo maar geanalyseerd worden, zeker niet als ze uit zoveel uiteenlopende bronnen afkomstig zijn die vaak ook verschillende en soms zelfs tegenstrijdige informatie opleveren. In de afgelopen jaren hebben diverse onderzoekers ervoor gezorgd dat de gegevens uit de verschillende bronnen zijn geïntegreerd in de databank Moord en Doodslag. De volgende bronnen zijn gebruikt:

  • Alle ANP-berichten over moord en doodslag in Nederland 1992 2006 .

In deze periode heeft het Algemeen Nederlands Persbureau meer dan 20.000 persberichten uitgegeven die betrekking hadden op moord en doodslag in Nederland. Al deze persberichten zijn door Gerlof Leistra van Elsevier bij de betreffende moordzaak gezocht. Gemiddeld zijn er ongeveer vijf berichten per moord. Doorgaans komt de gebeurtenis in de pers als de moord heeft plaatsgevonden, wanneer de dader is gepakt, wanneer de offi cier van justitie zijn of haar eis uitspreekt en wanneer er uitspraak wordt gedaan. In de anp-berichten is veel informatie beschikbaar over kenmerken van de moordzaken, daders en slachtoff ers. Bijvoorbeeld de voor- en achternamen van zowel daders als slachtoffers worden vermeld. Daarnaast is veelal ook informatie over de context en de aanleiding van de moord voorhanden. Deze informatie is bij de openbare terechtzitting ter sprake gekomen. Deze ‘extra’ informatie is gebruikt om moorden in verschillende typen in te delen.

  • Jaarlijkse overzichten Elsevier

Het weekblad Elsevier geeft sinds een aantal jaren in januari een overzicht van alle moord- en doodslagzaken in het daaraan voorafgaande jaar2. Deze overzichten zijn voornamelijk gebaseerd op ANP-berichten en krantenberichten, aangevuld met gegevens van de politieregio’s en het OM.

  • Het Moord & Doodslag Bestand van de Nationale Recherche Informatiedienst (NRI).

Dit unieke bestand bevat gegevens over een aantal basiskenmerken van alle moord- en doodslagzaken waarvan de politie heeft kennisgenomen. Voor de periode 1992–1995 zijn de gegevens verzameld door de Haagse rechercheur Cees Roos, die in zijn vrije tijd een moordbestand voor de politie bijhield. De informatie kreeg hij uit landelijke kranten en via contacten met collega’s. Vanaf 1996 is het beheer van het bestand overgegaan naar het Programma Moord en Zeden van de divisie Nationale Recherche Informatie (NRI) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Deze informatie betreft de datum waarop de moord is gepleegd, de vindplaats van het slachtoffer en het gebruikte wapen. Ook worden kenmerken van slachtoffers en daders geregistreerd als geslacht, de leeftijd, ras en nationaliteit. Midden 2005 is de dienst gestopt met de landelijke registratie van moord en doodslag.
 

  • Het viclas-systeem van het NRI 

 Sinds 1997 houdt de afdeling Moord en Zeden van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) een gegevensbestand bij waarin zeer gedetailleerde gegevens worden opgenomen van zedenzaken. Hieronder vallen ook de moordzaken waarbij slachtoffers met seksuele bedoelingen zijn benaderd ofwel aangerand en/of verkracht. De gegevens zijn ondergebracht in het zogenaamde Violent Crime Linkage Analysis System (viclas).
 

  • Het databestand ‘OM-Data’ van het Openbaar Ministerie

Op het moment dat de politie verdachten van moord en doodslag aanmeldt ter vervolging bij het Openbaar Ministerie, wordt bij het om een dossier aangelegd. Iedere verdachte krijgt een apart dossier met eigen nummer, ook als er meerdere verdachten per moord zijn. Om niet steeds naar de dossiers terug te hoeven en toch de voortgang van zaken te kunnen ‘monitoren’, bestaat sinds 1992 een computerregister van strafzaken met de naam ‘OM-data’. In dit register staan de verschillende gegevens over de ‘doorloop’ van de zaak. In het bijzonder wordt geregistreerd op welke dagen zaken zijn gestart, afgedaan en voor de rechter gebracht. Naast verschillende data wordt informatie vastgelegd over het type afdoening door het om, de eis van de officier van justitie en de beslissing van de rechtbank. Ten slotte zit nog een aantal persoonskenmerken van de daders in het bestand (leeft ijd, nationaliteit, woonplaats). In OM-data zit van strafzaken alleen vervolging in eerste aanleg. Wanneer verdachten in beroep gaan bij het Hof, is daar geen informatie over beschikbaar. Om die gegevens toch te verkrijgen hebben we gebruikgemaakt van het Strafregister van de Justitiële Dienst van het Ministerie van Justitie.

  • Gegevens van het Strafregister van de Dienst Centrale Justitiële Documentatie van het Ministerie van Justitie

Bij de Dienst Centrale Justitiële Documentatie in Almelo zijn alle strafbladen van alle veroordeelde Nederlanders gearchiveerd en geregistreerd. Dit is ook de plaats waar gemeenten gegevens opvragen wanneer ingezetenen een ‘verklaring omtrent gedrag’ nodig hebben. Tot begin jaren negentig werd deze informatie bewaard bij alle negentien rechtbanken. Sindsdien zijn de archieven en strafregisters samengevoegd en worden ze centraal bijgehouden. In het Strafregister is informatie van ongeveer 2 miljoen Nederlanders opgeslagen. Voor de databank Moord en Doodslag hebben we in het centrale bestand van de Justitiële Dienst alle gevallen van moord en doodslag in die periode nagezocht. In de meeste gevallen levert dit dezelfde informatie op als de gegevens van het Openbaar Ministerie. In het Strafregister wordt evenwel ook informatie opgenomen van Gerechtshoven en de Hoge Raad, dat wil zeggen als verdachten in beroep of cassatie zijn gegaan.

  • Bestand Moord en doodslag 1998 , 2002 2004 van het WODC en het NSCR

Over het jaar 1998 heeft het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatie Centrum (wodc) van het Ministerie van Justitie gerapporteerd over 225 moord- en doodslagzaken3. Naast de gegevens van de KLPD en het Openbaar Ministerie zijn voor de meeste moordzaken gepleegd in 1998 de betrokken rechercheurs geïnterviewd. Voor de jaren 2002–2004 hebben het WODC en NSCR samen ook alle moord- en doodslagzaken in kaart gebracht. Hiervoor zijn alle hierboven genoemde bronnen geraadpleegd. Voor het jaar 2003 heeft het WODC nog extra (gedetailleerde) informatie verzameld door voor dat jaar, waar mogelijk, de strafdossiers te raadplegen.

  • Aanvullende gegevens van de politieregio’s

Diverse politieregio’s hebben (aanvullende) gegevens uit hun eigen bestanden over moord en doodslag verstrekt. Daarnaast hebben alle politieregio’s positief gereageerd op onze verzoeken om aanvullende informatie over specifieke zaken in hun regio. Deze informatie is verwerkt in de databank.

Werkwijze

Bij het creëren van de databank Moord en Doodslag zijn alle moorden uit de verschillende bronnen bekeken en is onderzocht welke er overlapten en welke moorden ‘extra’ waren. Vervolgens is deze lijst opgeschoond en aangevuld. Voor alle twijfelgevallen is bij de betrokken politiekorpsen, OM-parketten en rechtbanken nagegaan of er inderdaad sprake was van moord of dat er sprake was van een ander delict, een ongeval of zelfmoord. Ook zijn ontbrekende of elkaar tegensprekende gegevens gecheckt. Op grond van deze aanvullende informatie is de definitieve lijst vastgesteld. Hierdoor bevat de databank alle moorden of doodslagen die op de een of andere wijze bekend zijn bij de 25 regiokorpsen van de politie, de NRI, het om, de 19 rechtbanken, het ministerie van Justitie, het CBS en het ANP.