Onderzoeksproject
Het grote geheim ontrafeld. De uitvinding van religie in de literatuur van de late oudheid
De Late Oudheid staat in het teken van migratiebewegingen, politieke onrust en religieuze strijd. Ons perspectief wordt vaak gekleurd door ons eigen begrip van ‘religie’, dat pas na de Reformatie is ontstaan. In dit onderzoek laat ik zien waarom laatantieke auteurs heel anders naar het fenomeen ‘religie’ keken dan wij.
- Looptijd
- 2026 - 2030
- Contact
- Hubert Mooiman
- Financiering
-
NWO Promoties in de Geesteswetenschappen
De Late Oudheid wordt vaak gezien als een periode van aanhoudende grensconflicten, politieke intriges en religieuze onrust. Vooral religieuze debatten zijn lang beschouwd als essentieel voor ons begrip van de late oudheid: de periode tussen de keizers Julianus (‘de Afvallige’, 361-363) en Justinianus I (527-565) wordt over het algemeen gezien als een strijdtoneel van ‘heidenen’ en ‘christenen’.
Religie speelde inderdaad een cruciale rol in de laatantieke samenleving, maar de moderne wetenschap erkent vaak niet dat onze moderne opvatting van ‘religie’ onze blik op de laatantieke realiteit vertroebelt. Ons verzuilde, 19de-eeuwse idee van verschillende, naast elkaar bestaande ‘religies’, en onze scheiding tussen ‘religieus’ en ‘seculier’, belemmeren ons om te zien hoe laatantieke auteurs werkelijk ‘religie’ construeerden.
In plaats van voort te bouwen op een veronderstelde scheiding tussen ‘heidendom’ en ‘christendom’ zal dit project daarom het laatantieke religieuze referentiesysteem analyseren vanuit zijn tekstuele basis. Dit onderzoek zal zich richten op het complexe Griekse en Latijnse literaire erfgoed van de late oudheid. Auteurs uit de late oudheid gebruiken het inherent discursieve karakter van de literatuur om ideeën en concepten van ‘religie’ te presenteren die een opmerkelijke flexibiliteit vertonen ten aanzien van verschillende religieuze systemen.
Dit project bestrijkt een breed chronologisch spectrum en analyseert de verstrengelde literaire en culturele netwerken van laatantieke ‘heidenen’ en ‘christenen’. Het toont hoe hun discoursen als het ware proeftuinen werden voor theoretische reflectie op ‘religieus’ denken. Het zal laten zien dat ‘heidenen’ en ‘christenen’ niet verdeeld waren in facties die elk een ‘waar geloof’ verdedigden, maar dat ze veel gemeen hadden en door middel van polemieken en controversen nieuwe manieren vonden om verklaringen te vinden voor hun gedeelde metafysische basis, het ‘Grote Geheim’ van het bestaan, midden in de dramatisch veranderende mediterrane wereld van de late oudheid.