Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Mobiele telefonie in Afrika vooral gunstig voor kleine steden

De meeste nomaden in de Sahellanden hebben zelf geen mobiele telefoon. Toch wordt hun leven er ingrijpend door beïnvloed. Prof.dr. Mirjam de Bruijn houdt vrijdag 5 september haar oratie, over de invloeden van mobiele telefonie op marginale samenlevingen in West- en Midden-Afrika.

Telefoon met benen

Straatjongen in Ndjamena, Tsjaad. Foto Mija Hesseling

Telefon jom koyde. De telefoon die benen heeft gekregen. Zo heet de mobiele telefoon in het Fulfulde dat gesproken wordt in Bamenda, Kameroen. De groei van de mobiele telefonie is de laatste jaren enorm gestegen, sinds de markt voor telecommunicatie onder druk van de WTO is geliberaliseerd: van één telefoon op 30 mensen rond 2000 tot één op de drie in 2008. Vooral de afgelopen twee jaar was de groei exponentieel. 
 
Niet zo gek dat telefoonmaatschappijen antropologen inhuren om die groeimarkt te verkennen. ‘Ze hebben mij ook wel gevraagd om onderzoek te doen,’ zegt De Bruijn. ‘Ze willen het apparaat aanpassen aan de eisen van Afrika. Ze willen dus weten wat er echt gebeurt.’

Nomaden

Juist in de marges van Afrika, de nomadengebieden die door de overheid genegeerd worden en dus nauwelijks infrastructuur hebben, zou de mobiele telefonie wel eens voor grote veranderingen kunnen zorgen, denkt ze. De komende vijf jaar gaat ze het onderzoeken, samen met  medeonderzoekers, PhD- en masterstudenten, in het kader van een groot onderzoeksproject, gefinancierd door NWO. Kameroen, Mali, Tsjaad, Angola en Soedan zijn de landen waar zij en haar collega’s en studenten neerstrijken.

Straatkinderen

Prof.dr. Mirjam de Bruijn

Ze was eraan toe. ‘Als antropoloog zat ik heel sterk in de Development Studies. Ik heb me altijd beziggehouden met marginale groepen: met nomaden, oorlogsmigranten, straatkinderen, armoede. Een paar jaar geleden merkte ik dat ik daar zelf een beetje getraumatiseerd van raakte. Ik was altijd met mensen aan het praten over de problematische kant. Natuurlijk, het leven is ook niet makkelijk, maar dat praten erover biedt de oplossing niet. De mobiele telefonie is er sinds een jaar of twee, drie. Ik doe al twintig jaar onderzoek in Kameroen, Mali en Tsjaad. Ik ken de mensen. En ik zie hun wereld veranderen. Ik zie dat de mobiele communicatie hun kansen biedt, zonder dat de staat daar iets mee te maken heeft.’ 

Voor 30 cent bellen

‘Je moet je niet voorstellen dat iedere herder een mobiele telefoon heeft’, zegt ze. ‘Hoe gaat het? Eén persoon in een gemeenschap verkoopt een koe, en koopt een telefoon. En er lopen mensen met mobiele telefoons over straat, die je even kunt huren. Je ziet bijvoorbeeld een vrouw met een kind. Voor het equivalent van 30 eurocent kun je bij haar bellen. Zo’n vrouw heeft een telefoon vol met krediet van een company. Die heeft er eigen kapitaal ingestopt, en heeft overal mensen rondlopen met een telefoon. Voor iedereen zit er een beetje winst in. Die vrouw houdt aan ieder gesprek twee eurocent over, genoeg om die week een pakje rijst te kopen. Ik heb het nog niet goed in kaart, maar de marginale arme mensen raken wel degelijk beïnvloed door de telefoon.’

Arabisch

‘Mensen gaan ook anders nadenken over de wereld. Er wás geen telefoon, er was geen briefpapier. Mensen die niet lezen, niets van cijfers weten, gaan nu opeens sms’en. Wat betekent dat voor het verlangen om echt te gaan lezen? Wat betekent het voor de kleine man dat communicatie over stakingen en protesten steeds meer via de mobiele telefoon gaat? En wat betekent de nieuwe communicatietechnologie voor de identiteit van marginale groepen? Een van onze research masterstudenten is taalkundige, en doet onderzoek naar sms-taal bij de Nuba in Soedan. Dat is een zeer gespleten samenleving, en de Nuba zijn gedwongen gearabiseerd. Hun telefoons komen uit het noorden, en werken in het Arabisch. Het Nuba zelf wordt niet geschreven. De Nuba-jeugd gaat dus in het Arabisch sms’en en contacten uitwisselen. Wat doet dat met hun identiteit?’

Kleine steden

Vooral voor de kleine steden ziet het ernaar uit dat de mobiele telefonie een economische verschuiving teweeg brengt. ‘Jonge gezinnen schuiven op richting stad. Ze zoeken de elektriciteit, het gemak van de communicatie, vinden er werk in.’ In de grote steden is de komst van mobiele telefoon geen revolutionaire verschuiving, maar een vervanging van wat er al was. ‘Daar krijgen de mensen de mooiste toestellen opgestuurd, en gaat het vaak om status. Je ziet er veel parallellen met onze eigen samenleving; de jeugd is erg gevoelig voor mooie modellen, en oudere mensen zien een mobiele telefoon gewoon als een handig gebruiksartikel.’

Benauwend

De mobiele communicatietechnologie geeft ook een stuk gemakkelijker toegang tot communicatie met de diaspora, vertelt De Bruijn. Veel Kameroenezen hebben zich over de hele wereld verspreid. ‘De diaspora krijgt een heel nieuwe dimensie. De mensen die weg zijn ervaren het vaak als benauwend. Ze wilden weg, maar zijn nu toch niet echt weg. Maar voor de achterblijvers gaat er een nieuwe wereld open.’

Nieuw nieuw nieuw!

Bamenda, Kameroen. Jongeman van het platteland verkoopt ‘beltijd’ in de stad. Foto Mirjam de Bruijn.

Toch moet je uitkijken met roepen van “nieuw, nieuw, nieuw!”, nuanceert ze. ‘De wereld van de Development Studies heeft nogal de neiging om juichend te doen over de ontwikkelingen. Maar hoe nieuw is het? Nomaden zijn mobiel. En mobiel zijn betekent communicatie. Er kwam altijd wel iemand langs met nieuws. Ik zie dat er veel uitwisseling was, er was een goede nieuwsvoorziening. Die focus vind ik heel leuk. Uit eerder onderzoek had ik dat eigenlijk zelf ook nooit zo gezien. Mobiele mensen, dat zijn vaak arme mensen. Die zoeken elders werk. Vaak wordt gedacht: armoede sluit af, leidt tot isolement. Maar is dat wel zo? Hier willen we meer precieze informatie over hebben.’ 

Geesteswetenschappen

Vijf jaar heeft Mirjam de Bruijn gekregen om als bijzonder hoogleraar Afrikanistiek het onderzoek en onderwijs over Afrika binnen de universiteit te bundelen binnen de faculteit der Geesteswetenschappen. ‘Maar eigenlijk wil ik het na drie jaar al wel laten draaien.’

Politiek statement

De Bruijn is geen nieuweling in Leiden; sinds 2001 is ze al verbonden aan het Afrika-Studiecentrum, hét – zelfstandige – onderzoekscentrum in Nederland over Afrika, dat in Leiden is gevestigd. De Bruijn: ‘Ik schoof al steeds meer op richting universiteit, ben bijvoorbeeld al directeur van de Research Master African Studies, een samenwerking van de universiteit en het Afrika-Studiecentrum. Ik ben blij met dit hoogleraarschap. Het helpt me om de brug met het Afrika Studiecentrum te slaan. En met Afrikaanse universiteiten. Ik neem Afrikaanse studenten aan als PhD’s. Dat is niet de gemakkelijkste weg; universiteiten in de Sahellanden zijn niet de beste van de wereld. Maar het is wel heel belangrijk. Een leerstoel Afrikanistiek is en blijft óók een politiek statement.’ 
________________________

De telefoon heeft benen gekregen. Mobiele communicatie en sociale verandering in de marges van Afrika

Oratie prof.dr. Mirjam de Bruijn, hoogleraar Afrikanistiek, i.h.b. de contemporaine geschiedenis en antropologie van West- en Centraal-Afrika
Vrijdag 5 september 2008 16.00 uur
Plaats: Groot Auditorium, Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden 
________________________

Prof.dr. M.E. de Bruijn

Mirjam de Bruijn promoveerde in 1995 cum laude op een studie naar nomadische samenlevingen en droogte in de Sahel, centraal Mali. Sindsdien kreeg ze verschillende financieringen voor onderzoek naar mobiliteit en verandering in de droge gebieden van West-Afrika en naar klimaatsverandering. In 2002 begon ze een onderzoeksproject naar lokale percepties en praktijken van conflict en oorlog in Tsjaad. Sinds 2005 coördineert ze een onderzoeksprogramma naar lokale dynamiek van conflict in West-Afrika. Sinds 2001 werkt De Bruijn als senior onderzoeker bij het Afrika-Studiecentrum in Leiden. Ze werd in 2002 lid van het Management Team en hoofd van een van de onderzoeksgroepen. Ze is directeur van de Research Master ‘African Studies’ van de Universiteit Leiden. Sinds juni 2007 is ze bijzonder hoogleraar in Leiden. In 2008 startte ze met een financiering van NWO/Wotro het onderzoeksproject naar Communicatie, Mobiliteit en Marginaliteit in verschillende landen in Afrika. Haar onderzoek concentreert zich op de wijze waarop mensen in de meer afgelegen regionen van de wereld hun leven inrichten en veranderen. Daarbij zijn mobiliteit, nomadisme, onzekerheid en ‘agency’ belangrijke thema’s.