Meer dan woorden: wat er verdwijnt als een taal verdwijnt
taaldiversiteit beeld: Jan-Joseph Stok / DoBeS Yurakare
Als talen verdwijnen, gaat er meer verloren dan woorden: ook kennis, tradities en gemeenschapszin komen onder druk te staan. In zijn oratie vertelt bijzonder hoogleraar Rik van Gijn waarom taaldiversiteit ertoe doet en wat taal over het verleden zegt.
Jarenlang was Van Gijn op zoek naar een rituele rouwtaal in het binnenland van Bolivia. Opa’s en oma’s van de mensen die hij sprak hadden die taal nog gebruikt, maar zij niet meer. Totdat een man van het Yurakaré-volk plots tegen hem zei: ‘Ga zitten en pak je opnameapparatuur.’ ‘Ik heb vijf minuten ademloos zitten luisteren naar een verloren gewaande rituele taal. Ik begreep er niks van, want het was echt anders dan de normale taal’, vertelt Van Gijn over een bijzonder moment uit zijn veldwerk. ‘Ik had het vertrouwen gewonnen en werd er echt emotioneel van.’
‘Als je je taal opgeeft, dat doe je niet voor je lol’
De verdwijnende taal van de Yurakaré
Ruim twintig jaar doet Van Gijn al onderzoek naar de verdwijnende taal van de Yurakaré, een volk van een paar duizend mensen die in kleine gemeenschappen leven in een gebied zo groot als België. Ze wonen langs de rivieren Isiboro en de Sécure en in het Chaparegebied in centraal Bolivia waar ze leven van de landbouw, visserij, jacht en seizoensarbeid. In veel van die kleine gemeenschappen is het Spaans inmiddels de voertaal, waardoor het Yurakaré steeds meer onder druk komt te staan. En dat heeft gevolgen.
Taalverlies hangt volgens Van Gijn nauw samen met het uiteenvallen van gemeenschappen. ‘Als je je taal opgeeft, dat doe je niet voor je lol’, zegt hij. Mensen hopen met een andere taal op een beter leven of willen niet langer racistisch bejegend worden. Maar het loslaten van een taal gaat ten koste van cultureel erfgoed en sociale samenhang, tot aan een opa die niet meer met zijn kleinkind kan praten.
Met taal verdwijnt ook kennis
Met het verdwijnen van taal verdwijnt er ook kennis, bijvoorbeeld van traditionele medicijnen. Bij de Tsimane, buren van de Yurakaré, was de bestrijding van een ziekte minder effectief in een dorp waar de traditionele kennis van medicinale planten verloren was gegaan dan in een dorp waar die nog bestond. Talen bevatten volgens Van Gijn kleine, efficiënte pakketjes informatie over de omgeving waarin ze zijn ontstaan, die je als kind die de taal leert vanzelf meekrijgt. Bij een overstap naar het Spaans verdwijnen die onderscheidingen. Dat geldt ook voor rituele taal en de kennis die nodig is voor het weven van typische Yurakaré tunieken.
Je eigen taal is een mensenrecht
Van Gijn wil niemand voorschrijven welke taal hij of zij moet spreken. ‘Ik zou als Yurakaré ook Spaans leren. De vraag is: moet je dan je eigen taal opgeven of kun je die blijven gebruiken naast het Spaans?’ Steeds meer landen erkennen dat het recht op je eigen taal, en op onderwijs in die taal, een mensenrecht is. Volgens Van Gijn helpt het als kinderen in het basisonderwijs al hun vakken in het Yurakaré krijgen: ‘Het is een waardevolle taal en dat zorgt dan weer voor meer cultureel zelfvertrouwen.’
Dat tradities veranderen, ziet hij niet als het probleem. Het probleem is ‘dat er een harde knip komt’, en dat mensen - vaak gedwongen - afstand nemen van die tradities.
Sporen van het verleden
Taal vertelt ook iets over het verleden. Wie migreert of in contact komt met andere groepen, laat sporen achter in de taal, zoals leenwoorden en veranderingen in de grammatica. Van Gijn vergelijkt die met wat genetica en archeologie laten zien. Een workshop over de geschiedenis van Bolivia, met onder anderen antropologen, archeologen en genetici, wees op de diepe geschiedenis van zowel culturele diversiteit als contact in de regio. In de talen is dat te zien aan de vele kleine taalfamilies die desondanks grammaticale kenmerken delen.
Soms spreken de disciplines elkaar tegen. Genetica en archeologie plaatsen de eerste oversteek van mensen uit Siberië naar Alaska en de Amerika’s zo’n 20.000 jaar geleden, maar sommige taalkundigen denken dat zoveel taalfamilies in zo’n relatief korte tijd niet kunnen zijn ontstaan. ‘Dan heb je een mismatch te pakken en dan wordt het eigenlijk nog iets interessanter, omdat je dan die paradox moet oplossen.’ Om die vroege geschiedenis van de mens verder te ontrafelen is verdere samenwerking tussen disciplines nodig, vindt hij.
Invloed op onderzoek
Ook wil Van Gijn zich hard maken voor de muur die er nu nog is tussen wetenschappers en de sprekersgemeenschappen die ze bestuderen. ‘We komen van een traditie waarbij de professor naar het veld gaat, data opneemt, weer teruggaat en vervolgens publiceert in wetenschappelijke tijdschriften. Dat is momenteel aan het veranderen.’ Sprekersgemeenschappen krijgen langzaam meer invloed op onderzoeksagenda’s. ‘Meer onderzoek op basis van co-creatie en samenwerking, zodat het hun ook iets oplevert, lijkt me een goede ontwikkeling.’
Op vrijdag 23 oktober sprak Rik van Gijn zijn oratie 'Linguistic diversity forever!' uit in het Academiegebouw.