In een doolhof van posters banen Psychologiestudenten zich een weg naar nieuwe inzichten
Psychologie beeld: Hannah Jacobs
Waarom werkt EMDR-therapie nou echt? En hoe ervaren mensen een kleine dosis psychedelica? Deze en andere vragen onderzochten nieuwsgierige bachelor- en masterstudenten Psychologie het afgelopen jaar met hun onderzoeksproject. De resultaten presenteerden ze tijdens de Wetenschapsmiddag.
Studenten van van het Bachelor Honours Project en de onderzoeksmaster presenteerden op donderdag 4 juni 2026 de vruchten van hun intensieve onderzoekswerk. Eerst op het podium voor docenten, vrienden en familie, daarna in een plein van posters in de centrale hal. Of ze wat over hun project wilden vertellen? Maar natuurlijk.
Kijken angstige mensen sneller naar negatieve prikkels?
Als mens hebben we een scherp oog voor gevaar. Ben je volledig geconcentreerd aan het werk, schrik je je opeens rot als een spin in je ooghoek verschijnt. ‘Evolutionair gezien is het adaptief om je daarop te focussen,’ legt Zeynep Tekin uit. ‘Maar dat kan ook doorslaan; dan blijf je te veel focussen op negatieve dingen, ook als dat niet meer nodig is.’ Bij angstige mensen is die negatieve aandachtsbias, zoals het in de psychologie wordt genoemd, groter. ‘Maar hoe die bias werkt, is nog onbekend. Worden angstige mensen meer actief getrokken naar stimuli? Of hebben ze moeite met wegkijken?’
Om daar achter te komen, zette Zeynep voor haar Honours Bachelor Project een eyetracking-onderzoek op. 56 mensen wist ze te strikken voor haar experiment, waarin zij de deelnemers vroeg om een rij van rode puntjes naar een groen puntje te kijken en de rest van het scherm te negeren. En dan verschijnt er opeens een neutraal of angstig gezichtje tussen de puntjes. ‘We keken of mensen naar het gezicht keken, hoe snel, en of ze meer naar het neutrale of angstige gezicht keken. We keken ook of angstige mensen sneller keken.’
Uiteindelijk bleek geen van de resultaten significant, wat dan juist weer best opvallend was. Want, zegt Zeynep: in vergelijkbare onderzoeken waren de resultaten wél significant. Dan de vraag: hoe kan dat? ‘Het kan aan de opzet van het onderzoek liggen,’ zegt Zeynep. Of aan het feit dat vooral positieve resultaten wetenschappelijke tijdschriften halen, en minder spannende resultaten niet. Ook weer een bias: de publicatiebias.
Hoe dan ook, Zeynep is er zeker van dat ze onderzoek doen leuk vindt. Dat wist ze eigenlijk al wel, maar nu helemaal. ‘Toen ik erachter kwam dat je met het honours-project een jaar over je scriptie kan doen in plaats van twee jaar, wist ik: de perfecte test om te kijken of ik onderzoek zo leuk vind als ik denk. Nu heb ik echt kunnen proeven hoe onderzoek werkt.’ En dat smaakt naar meer. ‘Voor mijn master wil ik de cognitieve neurotrack doen, binnenkort hoor of ik binnen ben.’
EMDR werkt, maar waarom?
Dat trekt goed die aandacht. Of, zoals Thijs van den Berg zelf zegt over zijn poster: ‘Lekker veel ogen’. Thijs deed namelijk onderzoek naar de rol van oogbewegingen in EMDR-therapie. Hij wilde weten: zijn die oogbewegingen de factor die EMDR-therapie effectief maakt?
Even voor de duidelijkheid: ‘We weten dat EMDR-therapie werkt. Net als andere traumatherapieën; die zijn ongeveer even effectief,’ legt Thijs uit. ‘Alle soorten traumatherapieën delen dezelfde kenmerken. Je moet terugdenken aan je traumatische herinnering, er zit een therapeut bij. Misschien verklaren die overeenkomstige factoren beter waarom een traumatherapie werkt, dan specifieke mechanismen, zoals oogbewegingen in EMDR.’
Van EMDR weten onderzoekers nog niet zeker hoe het werkt. Een breed gedeeld idee, ook in de media, is dat oogbewegingen het werkgeheugen van de hersenen overbelasten, waardoor herinneringen niet goed meer worden opgehaald en de herinneringen worden aangepast. ‘Daardoor is de gedachte die oogbewegingen ervoor zorgen dat herinneringen minder emotioneel en levendig worden,’ zegt Thijs. ‘Maar we zien in veel onderzoek dat dit effect na een dag al weg is. Is het dan een geheugen-effect? Is er iets met de herinnering gebeurd, of is er iets anders gebeurd?’
De onderzoeksopzet besloeg drie dagen. Op de eerste dag keken deelnemers dertig video’s uit horrorfilms, met scènes van moord en verdrinkingen (‘dat moest van de ethische commissie’). De dag erna werd deelnemers gevraagd de beelden op te halen die ze dag ervoor hadden gezien. Alle participanten moesten voor de helft van de video’s oogbewegingen maken, voor de andere helft deden ze niets. De derde dag werd ze over allerlei aspecten over de herinneringen bevraagd, waaronder emotie en levendigheid. Thijs: ‘Uit de resultaten zagen we geen effect op geheugen tussen de twee groepen. Dit is in strijd met wat mensen geloven over EMDR.’
Oogbewegingen doen dus niet zoveel met het geheugen, bleek uit het onderzoek van Thijs. Daarom wil hij graag verder onderzoeken wat traumatherapieën wél effectief maakt. ‘Heb je die Zembla-aflevering gezien over Yes We Can Clinics? Daarin worden mensen met hoog-intensieve traumatherapie behandeld, waarin ze mensen helemaal in hun trauma laten opgaan. Dit blijkt niet effectiever dan EMDR. Dat veroorzaakt dus onnodig leed. Als we snappen waarom een therapie werkt, hoeven we alleen datgene te doen.’
Hoe ervaren mensen kleine beetjes psychedelica?
Onderzoek doen naar de ervaring van psychedelica is zo makkelijk nog niet, want hoe zorg je ervoor dat deelnemers zich geenszins onder druk gezet voelen om drugs te nemen? Nou, bijvoorbeeld door je onderzoek uit te voeren op een plek waar mensen sowieso al van plan waren om tripmiddelen te gebruiken. Daarom toog Hannah Friedrich naar een ‘Microdosing Together’-evenement, in haar tas een EEG-hoofdband en een stapel vragenlijsten. Haar doel: onderzoeken wat het psychologische effect is van psilocybine, de werkzame stof in truffels, én wat het effect op het brein is.
‘Vaak wordt het effect van psilocybine getest in een lab en in pilvorm; in deze studie namen mensen het in natuurlijk vorm, door een kleine hoeveelheid truffels te eten, en in een meer natuurlijke setting.’ Met de EEG-hoofdband kon Hannah de elektrische signalen van de hersenen van de deelnemers meten; met de vragenlijst vroeg ze deelnemers naar hun subjectieve ervaring. ‘Ik ben de EEG-data nog aan het analyseren, omdat het een nieuw apparaat is waarvoor de code nog geschreven moet worden. Dat leer ik door te doen,’ zegt Hannah. ‘Uit de vragenlijsten komt vooral een positieve ervaring; mensen voelden zich goed of ervaarden een gevoel van bliss.’ Negatieve ervaringen waren er relatief weinig; één iemand voelde zich wat angstig.
Opvallend, volgens Hannah, is dat de hoeveelheid truffels die mensen namen niet zozeer uitmaakte voor het effect wat ze ervaarden. Of dat nu één gram of zes gram was, maakte voor hoe ‘high’ ze zich voelden niet zozeer uit. ‘De timing was bepalender voor hoe ze zich voelden. Deelnemers konden namelijk zelf kiezen of zij vijftien minuten, een half uur of een uur na inname bij ons langskwamen voor een meetmoment.’
Timing heeft dus meer effect dan hoeveelheid, en over het algemeen hadden mensen op dit evenement een positieve ervaring. Met haar onderzoek draagt Hannah bij aan een flinke hoeveelheid onderzoek naar psychedelische middelen die in resultaten al even flink gemixt zijn. ‘Dat komt omdat er niet een vast protocol is voor dit soort onderzoek,’ legt ze uit. ‘Wat een microdosis precies is, is bijvoorbeeld niet vastgesteld. Dat maakt dit lastig onderzoek om met elkaar te vergelijken.’
Waarom kan psychologisch geweld zo traumatisch zijn?
Bij het woord ‘trauma’ denken mensen vaak aan heftige geweldsmisdrijven, verkeersongelukken of seksueel geweld, maar, zegt Alexandra Freitag: ‘Trauma gaat veel verder dan enkel fysiek gevaar.’ In haar scriptieproject ontdekte ze dat impactvolle levensgebeurtenissen waarbij psychologisch geweld een rol speelt, zoals pesten of vernedering, als traumatischer werden ervaren dan als er enkel fysiek leed is geleden. ‘We zien dat de reden hiervoor is dat mensen bij psychologisch geweld een breuk oplopen in het vertrouwen in de ander, wat bijdraagt aan de ontwikkeling van PTSS.’
Het was nog best lastig om gegadigden voor haar onderzoek te vinden; niet iedereen voelt zich er comfortabel bij traumatische gebeurtenissen omhoog te halen. ‘We wilden aan algemene steekproef, we zochten niet naar mensen die zelf al zeiden een trauma te hebben. Het onderzoek was online; mensen vulden in hun eigen tijd vragenlijsten in.’
Wat Alexandra verraste, was de grote verscheidenheid aan gebeurtenissen die deelnemers als traumatisch beschreven. ‘Mensen rapporteerden allerlei dingen: van ernstige verbale agressie en vernedering tot verkeersongelukken, incidenten tijdens de zwangerschap en ervaringen met seksueel geweld. Ik schrok ook van de ernst van de symptomen die sommige deelnemers achteraf rapporteerden, omdat we niet specifiek hadden gezocht naar mensen met PTSS.'
Psychologisch geweld kan dus als traumatischer worden ervaren dan enkel fysiek trauma doordat het het vertrouwen in de ander beschadigt. Maar hoe werkt dat dan precies? Wat definiëren we als een vertrouwensbreuk, en hoe draagt die breuk precies bij aan PTSS-klachten? Dat wordt het onderwerp van Alexandra’s vervolgonderzoek. Sowieso zou ze graag in het onderzoek blijven, maar lastig; ze wil ook het klinische pad op. ‘Het liefste zou ik het combineren.’