Universiteit Leiden

nl en

Van vluchtelingen tot expats: dokter Dennis staat voor iedereen klaar

Patiënten die geen medicijnen kunnen betalen. Gestrande vluchtelingen helpen. Of zieke expats. En daarnaast onderzoek doen naar obesitas. Na zijn studie Geneeskunde koos Dennis Mook-Kanamori voor de harde praktijk én het onderzoek.

Waarom wilde je geneeskunde studeren?

‘Als je achttien bent is het heel moeilijk om al te kiezen. Ik was geïnteresseerd in biologie en kwam uit op geneeskunde. Misschien omdat mijn broer dat ook studeerde. Maar eerst heb ik twee mooie tussenjaren gehad: ik studeerde Liberal Arts in Philadelphia in de Verenigde Staten. Dat was echt fantastisch want de helft van de vakken kon ik zelf kiezen, zoals Oudgrieks, menselijke evolutie, pedagogiek. Zo’n brede studie was echt goed voor mijn algemene ontwikkeling. Na twee jaar hoorde ik dat in Leiden was ingeloot bij Geneeskunde en kwam ik hier naar toe.’

Dennis (midden bovenste rij) met zijn coschapgroepje tijdens een stage op de OK.

Hoe beviel de studie?

‘Ik vond de vakken meteen erg leuk, vooral de logica van iets ontdekken. Of het nu het immuunsysteem is of de nieren, er zit altijd een soort systeem in. In het begin wilde ik heel graag chirurg worden omdat het me spannend leek. Maar na een stage op een KNO-afdeling moest ik dat plan bijstellen. Ik kwam erachter dat je als chirurg  enorm geduldig moet zijn: je moet urenlang kunnen opereren en al die tijd een heel vaste hand hebben. Dat lag mij niet goed. Ik zeg nu dus tegen mijn studenten: staar je niet blind op één specialisme, want misschien blijkt het helemaal niets voor jou. Na een stage bij kindergeneeskunde wilde ik die kant op. De harde concurrentie voor een beperkt aantal plekken vond ik echter heel onprettig, ik werd daar opgefokt van. Ik ging promotieonderzoek doen naar de genetische factoren van kinderen met obesitas en dat beviel heel goed. Ik wilde dus de onderzoekskant uit.’

"De eerste vijf jaar was ik huisarts in de Schilderswijk. Dat was heftig."

Wat doe je nu?

‘Aan het eind van mijn onderzoek begon ik toch het contact met patiënten te missen. Ik realiseerde me dat ik én onderzoek wilde doen én wilde werken met patiënten. Het is heel dankbaar werk als iemand ziek bij je komt, na een kuur weer opknapt en zegt “bedankt dokter!”.  Daarom heb ik twee banen: ik ben drie dragen per week senior onderzoeker in het LUMC en twee dagen huisarts in Den Haag. De eerste vijf jaar was ik huisarts in de Schilderswijk. Dat was heftig. Er kwamen nogal wat patiënten wiens verwondingen een criminele oorzaak hadden. Zoals mannen met steekwonden en jonge vrouwen die verkracht waren of het slachtoffer van loverboys. Geregeld hadden patiënten geen geld voor medicijnen. Of ouderen hadden opeens geen mantelzorger meer omdat hun zoon in de bak was beland.

‘Na die vijf jaar kreeg ik een baan dichterbij mijn huis: ik werd huisarts bij een expatkliniek in een heel andere Haagse buurt, het Benoordenhout. Deels is het een heel andere wereld, maar in beide klinieken moet ik vaak uitleggen waarom we dingen nu eenmaal zo doen in Nederland. Bijvoorbeeld dat we in Nederland niet al na twee weken rugpijn een scan laten doen.’

'Veel artsen durven niet zomaar te switchen omdat ze al zoveel geïnvesteerd hebben in hun opleiding.' Foto LUMC

En je geeft daarnaast ook colleges?

‘Ja, dat vind ik enorm leuk. Ik probeer mijn studenten zo goed mogelijk voor te bereiden op de praktijk. In het curriculum zou meer aandacht moeten komen voor zaken als management en budget. Want of je nu een huisartsenpraktijk runt of afdelingshoofd bent in een ziekenhuis, je krijgt ook een grote verantwoordelijkheid voor de financiën en het personeel. Het zou goed zijn als geneeskundestudenten en artsen in opleiding gecoacht worden zodat ze meer nadenken waarom ze zo graag chirurg of hoogleraar willen worden en wat dat werk inhoudt. Soms krijgen artsen tijdens hun opleiding een burn-out omdat de specialisatie hen toch teveel wordt. En zomaar switchen durven velen niet omdat ze al zoveel geïnvesteerd hebben in hun opleiding.’

De zoon van Dennis met een vluchteling op Kos.

Een paar jaar geleden organiseerde je in Leiden colleges voor vluchtelingen. Hoe raakte je daarbij betrokken?

‘Daar ging een voorgeschiedenis aan vooraf. In 2015 kwam de grote vluchtelingenstroom op gang en arriveerden dagelijks honderden vluchtelingen in Griekenland. Mijn vrouw en ik besloten toen met onze twee kinderen naar Kos te gaan om daar vluchtelingen te helpen. Niet zozeer als arts, maar gewoon om te helpen met de meest basale dingen zoals eten en drinken geven, droge sokken en draagzakken voor baby’s. Die kochten we daar bij lokale winkels. In die tijd was er nog nauwelijks opvang. Sommige groepen deden de oversteek vanuit Turkije in drie kwartier, anderen hadden urenlange en dramatische overtochten meegemaakt. Later hebben mijn vrouw, die ook arts is, en ik als medicus vluchtelingen geholpen in Slovenië. Dat was heel aangrijpend. Veel mensen hadden versleten voeten en waren helemaal kapot. Er waren zelfs mensen met terminale kanker die toch nog gevlucht waren. De beelden van die opvangkampen zitten nog steeds in mijn hoofd.  

"De beelden van die opvangkampen  zitten nog steeds in mijn hoofd."

‘In 2016 werden ook in Leiden veel vluchtelingen opgevangen, waaronder vlak achter het LUMC. Samen met Frits Rosendaal (hoogleraar Klinische Epidemiologie, red.), wilde ik iets doen voor die mensen en we kwamen op het idee om colleges te organiseren. Er waren ook hoogopgeleiden bij en die wilden niet alleen spelletjes als sjoelen doen. Uit alle hoeken van de universiteit boden docenten een college aan: van kwantumoptica en filosofie tot de geschiedenis van het Nederlandse poldermodel. De vluchtelingen hebben dat erg gewaardeerd. Sommigen zijn daardoor zelfs gaan studeren.’

Tekst: Linda van Putten
Mail de redactie

Wie: Dennis Mook-Kanamori (40 jaar) 
Studie: Geneeskunde
Vereniging: ‘Ik was heel actief op Augustinus, maar was ook gedisciplineerd als het moest. In tentamenperiodes zag je me daar niet. Daarnaast had ik een enorm leuk studentenhuis op Papengracht 17-19. Sommige van die huisgenoten zie ik nog vrijwel wekelijks.’

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie