Universiteit Leiden

nl en

‘De gedachte dat je in een land maar één taal kunt hebben, is nog altijd dominant’

Lang was het in Nederland volkomen normaal dat iedere regio een eigen taal of dialect sprak. Dat werd niet als probleem gezien, maar als uitdrukking van de eigen identiteit. Hoewel taal- en staatsgrenzen nog altijd niet parallel lopen, is de waardering voor zulke verschillen verdwenen. Wie mee wil doen in Nederland moet Nederlands spreken, het liefst zo accentloos mogelijk. Volgens Gijsbert Rutten kan kennis over de omslag in deze waardering het debat over de Nederlandse identiteit verrijken.

Sinds wanneer geloven we dat een land het beste één taal kan hebben?

‘In de tweede helft van de achttiende eeuw werd overal in Europa gezocht naar wat typisch en kenmerkend was voor de eigen cultuur. Bestaat er zoiets als één Nederlandse taal, vroeg men zich bijvoorbeeld af. En moeten we die dan opleggen aan anderen, om de nationale eenheid te bevorderen. Het was niet alleen nationalisme, er zat ook een emancipatiegedachte achter. Door mensen standaardtaal te leren, bied je ze mogelijkheden: op de arbeidsmarkt, in het onderwijs.’

Waren die gedachten destijds omstreden?

‘Overal in Europa werd rond die tijd het idee ‘één volk, één grondgebied, één taal’ populair. Alle intellectuelen waren er door gegrepen, ze waren het erover eens dat eenheid nodig was. Wel discussieerden ze, vaak met opiniestukken, over hoe ver je mocht gaan om die eenheid te bevorderen. Een schrijver stelde bijvoorbeeld dat schoolmeesters moesten toezien dat kinderen ook thuis geen dialect zouden spreken - de overheid tot achter de voordeur dus. Anderen zagen meer in verleiding dan in dwang.’

Bleef het bij discussies of kwam het ook tot concreet beleid?

‘In Nederland werd het nieuwe gedachtegoed rond 1800 vrij snel omgezet in beleid. Een nieuw ministerie ging zich bezighouden met het onderwijs en eenheid in taal stond bovenaan de lijst. In oktober 1801 werd besloten dat er een nationale spelling en een nationale grammatica moesten komen en wie die zouden schrijven. Toen die er een paar jaar later lagen, werd het gebruik ervan verplicht in overheidspublicaties. Daarnaast werd er bij schoolbesturen en schoolmeesters op aangedrongen dat de regels aan kinderen werden geleerd.’

Gebeurde dat ook of was de praktijk weerbarstiger?

‘Uit ons onderzoek blijkt dat de nieuwe spelling heel snel werd overgenomen. Niet alleen in kranten, boeken en overheidspublicaties, maar ook in dagboeken en brieven. Dat is opvallend, want voor zulk persoonlijk materiaal bestond geen enkele verplichting. Men had ook kunnen blijven schrijven zoals men gewend was. Dat dit niet gebeurde, geeft aan dat het idee dat eenheid belangrijk was heel breed werd gedragen. Temeer omdat die spelling behoorlijk lastig was. Er zaten nieuwigheden in die je moest beredeneren, zoals ‘dt’ op het einde van een woord of het gebruik van enkele of dubbele klinkers. De o in ‘stoken’ en ‘rooken’ klonk weliswaar hetzelfde, maar werd nu verschillend geschreven.

Ook de nieuwe grammatica was complex. Die schreef bijvoorbeeld naamvallen voor, terwijl die in de praktijk al lang niet meer werden gebruikt. De grammatica was veel minder succesvol dan de spelling. Mogelijk had dat ermee te maken dat spelling simpeler aan te passen was dan de manier waarop men zinnen maakte.’

Hoe is de kijk op meertaligheid sindsdien veranderd?

‘De gedachte dat je in een land maar één taal kunt hebben is nog altijd dominant en komt op allerlei manieren tot uiting. Afwijkingen van de norm, zoals dialecten of een regionale klankkleur, worden vaak als negatief gezien en over nieuwkomers wordt gedacht dat ze pas kunnen meedoen als ze Nederlands spreken. Dat hoeft niet altijd zo te zijn.

Op zichzelf is de gedachte dat een gedeelde taal het leven makkelijker maakt niet onjuist. Maar de realiteit is nu eenmaal een rijkheid aan verschillende talen en culturen. Vrijwel ieder land ter wereld is meertalig, ook Nederland. Dat hoeven we niet als probleem te zien. De gedachte dat verschil een probleem is, is op een specifiek moment ontstaan en kan ook weer verdwijnen.’

Tekst: Pepijn Reeser (i.o.v. het Taalmuseum)

De Zin van Taal

Dit artikel verscheen eerder in De Zin van Taal, een uitgave van het Taalmuseum. Lees meer op de website.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie