Universiteit Leiden

nl en

Angst voor Terrorisme zonder Terreur

Uit het onderzoek “Terroristische dreiging in Nederland. De risicoperceptie en mogelijkheden voor risicocommunicatie” (Universiteit Leiden) blijkt dat Nederlanders relatief nuchter reageren op aanslagen in buurlanden en de mogelijke risico’s van een terroristische dreiging. De helft van de respondenten vindt dat de overheid hen actief en met een heldere boodschap moet informeren over hoe te handelen bij een aanslag.

In de afgelopen tien tot vijftien jaar hebben in diverse Europese landen grootschalige terroristische aanslagen plaatsgevonden. Volgens de rijksoverheid is de kans op een aanslag in Nederland reëel: het huidige dreigingsniveau is ingeschaald op substantieel. In dit onderzoek staat de vraag centraal wat de risicobeleving van de Nederlandse bevolking is inzake terroristische dreiging en wat passende mogelijkheden zijn voor de Nederlandse overheid om te communiceren over terroristische dreiging en over het (contra-) terrorismebeleid. Uit het onderzoek blijkt dat dat de Nederlandse bevolking relatief nuchter reageert op aanslagen in buurlanden en op de mogelijke risico’s van een terroristische dreiging. Daarnaast lijkt de langdurige inschaling van het dreigingsniveau op ‘substantieel’ weinig invloed te hebben op het gedrag van de Nederlandse bevolking.

Collectieve angst

De zorgen in Nederland over een terroristische aanslag lijken vooral betrekking te hebben op een mogelijke aanslag in de woonplaats of elders in Nederland, en niet zozeer op de eigen betrokkenheid. Deze collectieve angst zou verminderd kunnen worden door middel van transparante communicatie door de overheid over de reële terroristische dreiging in Nederland.

Mogelijkheden voor communicatie

De mogelijkheden voor communicatie vanuit de overheid liggen op meerdere vlakken. Zo kan een gedifferentieerde aanpak door de overheid het bereik van de boodschap naar de burger vergroten. Meerdere malen kwam uit de grootschalige panel-studie van meer dan 1000 deelnemers kwam naar voren dat de “Nederlandse burger” niet bestaat, en rekening dient te worden gehouden met de verschillende subgroepen binnen de Nederlandse samenleving: zo zijn jongeren bijvoorbeeld vaker actief op sociale media dan ouderen. Een ander voorbeeld betreft het verspreiden van informatie over de inzet van de overheid om een terroristische aanslag te voorkomen. Respondenten gaven aan deze informatie te willen vinden wanneer zij daarnaar op zoek zijn. Tegelijkertijd gaven zij aan juist actief geïnformeerd te willen worden over veranderingen in het dreigingsniveau. Er zou in dergelijke gevallen gekozen kunnen worden om in het eerste geval de informatie weer te geven op websites van de overheid, waarbij in het tweede geval sociale media wordt ingezet.

Heldere en duidelijke boodschap

Passende mogelijkheden voor communicatie vanuit de overheid dienen dan ook vooral toegespitst te zijn op het communiceren van een heldere, duidelijke boodschap, waarbij het doel en de doelgroep van de boodschap niet uit het oog verloren wordt.