Universiteit Leiden

nl en
Ivar Pelt

Spinozawinnaar Crone wil impact social media onderzoeken

Voor haar spraakmakende onderzoek naar de ontwikkeling van pubers ontvangt Eveline Crone, hoogleraar Neurocognitieve ontwikkelingspsychologie in Leiden, de NWO-Spinozapremie. Dat maakte NWO op 16 juni bekend. Hoe gaat Crone de 2,5 miljoen euro besteden?

Inzichten pubergedrag

Met haar vernieuwende inzichten heeft Crone (1975) richting gegeven aan een heel nieuw onderzoeksveld dat inmiddels in volle bloei staat, stelt NWO. Als een van de eerste wetenschappers volgde Crone vijf jaar lang een grote groep van bijna 300 pubers. Ze onderzocht hun gedrag en de neurologische processen in hun hersenen. De hersendelen die iets als een plezier of een beloning ervaren blijken extreem gevoelig tijdens de puberteit, terwijl het gedeelte dat belangrijk is bij impulsbeheersing en planning (de prefontale cortex) zich nog volop ontwikkelt. Later constateerde Crone dat de prefontale cortex bij jongeren flexibeler is dan gedacht. Dit deel van de hersenen wordt actiever als hun sociale positie op het spel staat of als hun creativiteit wordt uitgedaagd. NWO concludeert: met de inzichten van Crone kunnen onderwijs, opvoeding en jongerenbeleid hun voordeel doen.

Wat is uw reactie op deze toekenning?

‘Ik was enorm verrast toen ik het hoorde en stond helemaal te shaken. Het was Stan Gielen, de voorzitter van NWO, die me ’s avonds belde en het nieuws vertelde. De volgende dag dacht ik: heb ik dit nu gedroomd, het is toch wel echt? Maar het begint nu te landen. Het is een kroon op mijn werk en een waardering voor mijn aanpak. Veel neurowetenschappers kijken maar naar één proces in de hersenen, maar als neurocognitieve ontwikkelingspsycholoog onderzoek ik hoe meerdere processen zich ten opzichte van elkaar ontwikkelen.’

NWO roemt uw bijdrage aan de herwaardering van de puberteit.

‘Van de adolescenten komt 10 tot 15 procent echt in de problemen. Die overige 85 procent heeft ook uitdagingen, maar vertoont geen extreem risicogedrag zoals vandalisme of bingedrinken. En toch hebben pubers vaak een slechte reputatie. Uit ons onderzoek komen ook positieve zaken: jongeren die bijvoorbeeld verschillende identiteiten uitproberen hebben later juist veel zelfvertrouwen. En vrienden hebben ook een positieve invloed op elkaar als ze sociaal zijn. Overigens zien we in sociaal opzicht nauwelijks verschillen tussen jongeren van het vwo of vmbo. Ook niet in risicogedrag. Dat is zo’n stigma voor vmbo-scholieren, maar er zijn behoorlijk wat gymnasium-leerlingen die aanzienlijk risicogedrag vertonen.’

Tekst gaat door onder video

Hoe gaat u de premie van 2,5 miljoen euro besteden?

‘Ik kan wel tien onderzoeken bedenken. Tot nu toe heb ik typisch gedrag voor de adolescentie - zoals risicogedrag - onderzocht dat van alle tijden is. Ik vind het spannend om het een keer te weerleggen: wat maakt jongeren van nu uniek? Jongeren kunnen via sociale media met de hele wereld in contact staan. Moet je hen hierin anders begeleiden dan volwassenen? Voor jongeren die bezig zijn hun identiteit te vormen is die invloed van sociale media extra groot. Ik vraag me af: heeft dit ook invloed op de hersenrijping?’

‘Een andere interessante onderzoeksvraag is hoe jongeren keuzes maken die hun pad naar volwassenheid bepalen. Ongeveer de helft van de scholieren kiest een studie die niet goed bij hen past. Ik wil een interventie bedenken waardoor ze wel goed kiezen. Wat verandert er na een training in zelfvertrouwen? Dat kunnen we meten door jongeren langdurig te volgen en later te vragen of hun studie de juiste keuze was. Ik wil ook bestuderen hoe de systemen in de hersenen samenwerken voordat jongeren een keuze maken. Vinden er veranderingen in de hersenen plaats als je op een andere manier over jezelf gaat nadenken? Misschien komen we tot de conclusie: het systeem moet anders want jongeren moeten te vroeg kiezen.’ 

Uw boek het Puberende brein (2008) werd een internationale bestseller en bij lezingen trekt u volle zalen. Hoe verklaart u dat succes?

‘Kennis over de puberteit voorziet in een grote behoefte. In de recensies stond dat het boek veel te academisch was en niet bruikbaar voor een groot publiek, maar dat was dus een onderschatting van het lezerspubliek. Jongeren gingen zelf het boek kopen en vertelden mij: dan kan ik tegen mijn ouders zeggen dat het door mijn brein komt. Ook veel ouders zeggen tijdens mijn lezingen opgelucht: oh, mijn kind is toch wel normaal.’ 

Uw onderzoek heeft ook impact op wetgeving. In de nieuwe wetten voor jeugddetentie (jeugdgevangenissen van 18 naar 23 jaar) en alcoholgebruik (van 16 naar 18) zijn de leeftijdsgrenzen omhoog gegaan. Wat vindt u daarvan? 

‘In de onderbouwing van deze wetten werd inderdaad mede verwezen naar mijn onderzoek, alleen ben ik niet bij deze wetten betrokken geweest. Organisaties bellen me vaak voor allerlei plannen, maar ik treed bewust niet op als adviseur. Als wetenschapper wil ik me niet teveel in het maatschappelijk debat begeven. Ik ben blij dat mijn werk impact heeft, maar ik wil waardevrij onderzoek doen.’