Universiteit Leiden

nl en

Peuters vaker agressief door afwijkende werking zenuwstelsel en problemen zwangere moeder

Jonge kinderen vertonen meer agressief gedrag als hun zenuwstelsel niet adequaat reageert op stresssituaties en ze tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan risicofactoren als roken of psychische problemen van de moeder. Dat concludeert promovendus Jill Suurland. Promotie op 4 juli.

Factoren agressief gedrag

Vaak vechten, anderen expres pijn doen en woedend reageren bij verdriet of frustraties. Al in de vroege kindertijd vertonen sommige kinderen problematisch gedrag. Pedagoog Jill Suurland onderzocht de neurobiologische, emotionele en cognitieve factoren van agressief gedrag bij jonge kinderen.

Verstoorde werking zenuwstelsel

Uit haar onderzoek blijkt dat deze kinderen moeite hebben met het reguleren van hun impulsen en negatieve emoties zoals boosheid en frustratie. Bij hen is de coördinatie binnen het autonome zenuwstelsel verstoord: het sympatisch en het parasympathisch zenuwstelsel werken niet goed samen. In reactie op stress verhoogt het sympathisch zenuwstelsel de ademhaling en de hartslag. Dit gaat meestal samen met een afname van activiteit binnen het parasympathisch zenuwstelsel, dat idealiter juist actief is tijdens rust en de hartslag en ademhaling verlaagt. Maar bij deze kinderen werkt dat mechanisme gebrekkig; het sympathisch en parasympathisch zenuwstelsel zijn tegelijkertijd actief of juist geremd.

Problemen zwangere moeder

Suurland constateert dat deze kinderen met name problematisch gedrag vertonen in combinatie met negatieve invloeden van de zwangere moeder zoals roken, psychische problemen en veel stress door geldzorgen of de afwezigheid van sociale steun. Dit inzicht is belangrijk voor een vroegtijdige en adequate behandeling van deze kinderen, benadrukt ze. Buitensporige agressie in de vroege kindertijd verhoogt de kans op slechte schoolprestaties, crimineel gedrag en depressie op latere leeftijd. De promovendus pleit voor een betere identificatie van zwangere vrouwen met een hoog risicoprofiel zodat zij hulp kunnen krijgen via (preventieve) interventieprogramma’s. 

Meer onderzoek nodig

Volgens Suurland is er meer onderzoek nodig want het is nog onbekend in hoeverre behandeling van de moeder tijdens de zwangerschap en de babytijd de fysiologische zelfregulatie van het kind beïnvloedt. Een gerichte een vroegtijdige interventie is volgens haar cruciaal. ‘Voortdurend agressief gedag bij oudere kinderen en adolescenten is met de huidige interventieprogramma’s vaak moeilijk te behandelen.’ 

Langdurig onderzoek onder grote groep kinderen

De promovendus bestudeerde de ontwikkeling van een grote groep jonge kinderen in de Mother-Infant NeuroDevelopment Study in Leiden. Dit is een longitudinaal onderzoek waarin 275 zwangere vrouwen en hun kinderen gevolgd worden totdat deze 3,5 jaar zijn. Tijdens de zwangerschap werden aanstaande moeders gescreend op de aanwezigheid van een groot aantal risicofactoren. Daarnaast onderzocht ze bij 855 kinderen in de voorschoolse leeftijd emotionele en cognitieve voorspellers van agressief gedrag.

In de babytijd wordt door middel van de rijping van het autonome zenuwstelsel de basis gelegd voor een gezonde emotionele en cognitieve zelfregulatie. Dat is het vermogen om de eigen fysiologische, emotionele en cognitieve processen te controleren en te sturen. Een tekort aan zelfregulatie speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van agressief gedrag en het zenuwstelsel is in deze periode heel gevoelig voor omgevingsinvloeden.