Universiteit Leiden

nl en

Student in oorlogstijd

Jacques Waisvisz (98) is een van onze oudste, nog levende, alumni. Als Joodse student moest hij in de Tweede Wereldoorlog zijn studie voortijdig staken. Hoe blikt hij daar op terug en hoe verliep zijn leven daarna? ‘Men geloofde eerst niet dat de situatie hier ook zo ernstig zou worden.’

Jacques Waisvisz in zijn jongere jaren.

In 1938 ging u scheikunde studeren. Hoe was die vooroorlogse periode in Leiden?

‘Het was druk met mijn studie scheikunde en daarnaast volgde ik puur uit interesse vakken bij Chinees. De studies waren leuk en ik amuseerde me ook prima daarbuiten. Ik vond een kamer bij een hospita in de Kaiserstraat. ’s Avonds ging ik veel uit en bezocht ik jazzconcerten in Leiden en Amsterdam. Lid van een vereniging was ik niet. Ik zou bij het corps gaan, maar dat ging niet door. Want bij de inschrijving ging het al mis. Een zak kwam naar me toe en vroeg mij hem na te praten: ik ben een lul. Toen zei ik: jij bent een lul. Hij meteen weer: nee je moet zeggen ík ben een lul. Toen gaf ik hem een klap, ik kon aardig boksen toen. Een andere vereniging hoefde van mij daarna niet meer. Ik vermaakte me wel.’

Merkte u in die jaren al iets van een naderende oorlog?

‘Ja, ik ben een Jood dus ik voelde de dreiging. Men geloofde in het begin niet dat de situatie in Nederland zo ernstig zou worden. Maar ik hoorde wat er in Duitsland gebeurde en vermoedde dat het ook hier mis zou gaan. Na het uitbreken van de oorlog kon ik al vrij snel niet meer studeren. Ik kreeg een brief dat ik geen tentamens meer mocht doen en mocht alleen nog maar naar het lab gaan. Het was een heel onzekere tijd. Daarom was het fantastisch dat professor Cleveringa en andere hoogleraren protestredes hielden tegen het ontslag van Joodse medewerkers. Dat deed me goed. Het voelde als een steunbetuiging.’

Na de protestrede van Cleveringa komen studenten bijeen voor het Academiegebouw. Kort hierna werd de universiteit gesloten.

Hoe bracht u de eerste oorlogsjaren door?

‘Het was frustrerend want ik kon nauwelijks wat doen. Op een gegeven moment moesten we een Jodenster dragen en werd het steeds gevaarlijker. Onderduiken wilde ik niet. Het was te moeilijk om een goede plek te vinden. Ik wilde een bootje kopen om naar Engeland te varen, maar kreeg geen geld los. Toen werd mijn vader in 1942 opgeroepen om zich de volgende dag te melden. Ik zei dat hij niet moest gaan. Mijn vader wilde eerst wel gaan, hij dacht dat de oorlog niet zo lang zou duren. Maar toen zei hij: jij hebt de ellende al vroeg voorspeld dus ik luister naar jou. Dat is cruciaal geweest.

‘Op mijn voorstel zijn we gevlucht. Van de een op de andere dag lieten we alles achter waarvoor mijn ouders hun hele leven hadden gewerkt. Ik heb ook helemaal geen foto’s meer van mijn jeugd. Maar het was de juiste keuze; mijn opa en oma en andere familieleden bleven en zijn omgekomen in Sobibor. Mijn broer Gaby bleef in Nederland, hij had een niet-Joodse vrouw. Door te onderduiken heeft hij het overleefd.’ 

Waar zijn jullie naar toe gevlucht?

‘Deels lopend en deels met de trein hebben we Frankrijk bereikt. We hadden enorm geluk dat we onderweg niet goed gecontroleerd zijn. In de trein verwijderden we de Jodenster van onze kleding en we verstopten ons later in een goederenwagon. In het noorden van Frankrijk ben ik op straat opgepakt tijdens een razzia. Een dramatisch moment. Ik kwam daar in een kamp terecht en heb mijn ouders de hele oorlog niet meer gezien. Mijn ouders zijn in Zwitserland terechtgekomen en bleven daar tot het eind van de oorlog. Gelukkig wist ik te ontsnappen en ontmoette ik Fransen die me hielpen aan adressen waar ik onderweg kon verblijven. Zo kon ik via de Pyreneeën naar Spanje vluchten. In Barcelona heb ik me gemeld bij het Nederlands consulaat. Uiteindelijk ging ik naar Engeland waar ik werd opgeleid tot paratroeper .’

D-day in Normandië. Foto: Wikipedia

Waar hebt u gevochten?

‘In Italië en België. Ook werd ons regiment in Normandië ingezet tijden D-day, op 6 juni 1944. We moesten de batterij van Merville, een verdedigingslinie van de Duitse Atlantikwall, zien uit te schakelen. Het is gelukt maar het kostte ons wel veel verliezen. Dat was moeilijk. Veel meer wil ik er niet over vertellen. Het is al zo lang geleden.’

Hoe pakte u uw leven na de oorlog weer op?

‘In september ging de universiteit weer open en zocht ik mijn oude professor, de scheikundige Van Arkel, weer op. Ik overwoog een baan te zoeken. Kom weer studeren, zei hij. Dat was in het begin wel moeilijk. Ik kon me moeilijk concentreren door alle ellende van de oorlog. Sommige jaargenoten waren al verder met de studie. Ze hadden tijdens de oorlog in Utrecht gestudeerd. Andere medestudenten kwamen niet meer terug, ze waren omgekomen. Dat was heel pijnlijk ja. Later heb ik een vriendinnetje uit die tijd gevraagd waarom we niet getrouwd waren. Ze zei: je was onmogelijk toen. Door alle gebeurtenissen was ik een beetje op drift geraakt. Het heeft een tijd geduurd voordat er weer regelmaat in mijn leven kwam. In 1950 ben ik afgestudeerd in de organische chemie.’

Op 17 september 1945 loopt Leiden uit voor de heropening van de universiteit na de Tweede Wereldoorlog.
Leiden loopt op 17 september 1945 uit als de universiteit weer open gaat na de Tweede Wereldoorlog. Foto: Nationaal Archief

Wat bent u na uw afstuderen gaan doen?

‘Ik werd onderzoeker bij de Nederlandse Gist en Spiritusfabriek  in Delft. Daar heb ik het enorm naar mijn zin gehad, ik ben er mijn hele carrière gebleven. Ik werkte in het organisch chemisch lab en deed daar van alles. Zoals zoeken naar geschikte antibiotica. Toen hebben we er een gevonden en over de hele wereld gebruiken ze die nog in de industrie. Naast mijn werk was ik ook veel met jazz bezig, mijn grote passie. Jarenlang organiseerde ik experimentele jazzconcerten onder de noemer SMØR Jazz.’ 

Welke vaardigheid of ervaring die u opdeed in Leiden is waardevol geweest voor uw latere leven?

‘Ik vind de opeenhoping van kennis heel belangrijk. Dankzij de universiteit kon ik mijn brede interesses – van scheikunde en natuurkunde tot Chinees – volgen. Mijn tip aan jonge mensen is dan ook: ga studeren als je dat kunt. Ook al moet je er naast werken. Ik waste onder andere borden af in den Vergulden Turk om mijn studie te kunnen betalen. Na mijn afstuderen heb ik de universiteit nog lange tijd gevolgd en bezocht ik bijvoorbeeld lezingen bij scheikunde. Maar daarvoor ben ik nu te oud. 

‘Een ander, heel waardevol aspect, zijn de vriendschappen die ik hier heb gesloten. Tot voor kort zag ik nog vaak een vriendje uit mijn studietijd. Hij had carrière bij de Shell gemaakt. Als ik iets niet begreep, destijds tijdens de studie maar ook later, ging ik altijd naar hem toe. Maar hij is helaas overleden. Een groot nadeel van heel oud worden is dat je zoveel mensen om je heen verliest. Vroeger ging ik veel uit. Maar nu loop ik moeilijk en ik rijd geen auto meer. Mijn wereld is een stuk kleiner geworden, maar ik woon nog wel zelfstandig. Twee keer per dag krijg ik zorg. Ik woonde vroeger in het huis hiernaast (aan de Kasteelhof in Leiden, red). Nu woont daar mijn schoondochter met een stel kleindochters. Daar heb ik heel veel plezier van. En mijn zoon helpt mij ook enorm goed. Gelukkig zijn mijn kinderen en kleinkinderen allemaal gaan studeren.’

(LvP)