Universiteit Leiden

nl en

Tropenarts op Terschelling

Slachtoffers van tsunami’s opereren, noodhulp organiseren tijdens een burgeroorlog en kwakende kikkers op zaal. Menno Swier werkte als tropenarts in Papoea-Nieuw-Guinea en Indonesië. Nu is hij huisarts op Terschelling waar het ook nooit saai is.

Waarom werd je tropenarts?

‘Als kind wilde ik al arts worden en mensen beter maken. Tegelijkertijd wilde ik ook graag reizen in tropische landen, dus tropenarts leek me precies de goede combinatie. Na mijn studie liep ik in Tanzania coschappen in een missieziekenhuis. In het begin assisteerde ik bij operaties en al snel mocht ik zelf opereren. In zo’n klein ziekenhuis moet je heel allround zijn; je verwijdert abcessen, doet keizersneden en noem maar op. Dat alles in een tropische setting: warm en vochtig, onverharde wegen, vleermuizen in de overdekte passages en kwakende kikkers op zaal. Ik vond het fantastisch. Ook de mensen zijn bijzonder. Heel warm en bijgelovig. Velen denken dat ziektes te maken hebben met hun voorouders of het boze oog. Terug in Nederland volgde ik de opleiding tot tropenarts. In mijn tweede jaar, in 1997, kon ik voor Memisa aan de slag in Papoea-Nieuw-Guinea.’ 

Bewoners van een dorp in Papoea-Nieuw-Guinea. Foto: Wikimedia

Hoe was dat?

‘Ik was daar medisch directeur van een klein missieziekenhuis met 130 bedden. Het ziekenhuis ligt in een dorpje aan de noordkust, midden in het tropisch regenwoud. Het was een mooie tijd. Ik kon goed samenwerken met het lokale personeel dat niet, zoals in Nederland, last heeft van de werkdruk en procedures die zo efficiënt mogelijk moeten worden uitgevoerd.

‘In 1998 veranderde alles. Door een zeebeving kwam er een tsunami met rampzalige gevolgen. Een vijftien meter hoge golf vernietigde alle dorpen dichtbij de kust. Ons ziekenhuis werd wel gespaard omdat het verder landinwaarts ligt. Ik zat op dat moment met mijn vrouw op een eiland in de buurt. We zagen het rif droogvallen, maar gelukkig kwam de vloedgolf niet bij ons. De chaos in het rampgebied was enorm. Er stond bijna niets meer overeind en overal waren doden en gewonden met enorme breuken, vieze wonden en longontstekingen door ingeslikt zeewater. In het ziekenhuis werkten we lange tijd dag en nacht door.’

Hoe houd je je staande in zo’n situatie?

‘Het was enerzijds heel zwaar omdat we ook veel pijnlijke keuzes moesten maken. Niet alle gewonden konden mee met de helikoper en dan moet je kiezen wie nog een kans maakt. Maar ik kreeg ook enorm veel energie, omdat er van alles moest gebeuren en ook omdat opeens van alles kon. We kregen veel hulp van het Australische leger en daardoor konden we de opvang en een deel van de zorg opnieuw organiseren. In 2000 besloten mijn Nederlandse vrouw en ik terug te gaan. Mijn vrouw wilde een opleiding in Nederland volgen en ik wilde me verder specialiseren.’ 

De ravage in Atjeh na de tsunami. Foto: Wikimedia

Wat ben je toen gaan doen?

‘Ik ben public health gaan studeren in Leiden, omdat ik ook erg geïnteresseerd ben in de voorwaarden die een goede gezondheidszorg mogelijk maken. Daarna volgde ik de huisartsenopleiding. Die onderbrak ik in 2004 vanwege de tsunami op Tweede Kerstdag in de Indische Oceaan. Het was een ongekende ramp met naar schatting 230.000 doden. Nieuwsprogramma NOVA vroeg mij, als ervaren tropenarts in een rampgebied, om commentaar te geven. Jeroen Pauw merkte op: ‘Je handen jeuken zeker om daar te gaan helpen.’ En dat was ook zo. 

‘Kort daarna vroeg Cordaid mij of ik als hulpcoördinator wilde werken in het zwaarst getroffen gebied: de provincie Atjeh op het eiland Sumatra. De ravage was onbeschrijfelijk. Ook hier stond bijna niets meer overeind. Maar er kwamen veel internationale hulpteams en het leger werd massaal ingezet. Ik coördineerde de hulp van enkele teams en trok van dorp naar dorp om te inventariseren wat er nodig was. Vaak was er niet eens meer een brug of weg. Ook was er in dat gebied een burgeroorlog aan de gang en moesten we dikwijls onderhandelen met de militairen. Veel gewonden werden verpleegd op hospitaalschepen van het leger. Het was een heftige periode waar ik nog geregeld aan terug denk. Na ongeveer vijf maanden ging ik terug naar Nederland.’ 

Menno Swier werkte voor het hulpprogramma van Cordaid in Indonesië. Foto: Cordaid/Rieneke van de Laar

Bleef het bij Nederland?

‘Ja, want ondertussen kregen mijn vrouw en ik kinderen en wilden we graag bij familie in de buurt wonen. Ik heb nog even gewerkt als expeditie-arts voor het televisieprogramma Bobo’s in the Bush en daarna kon ik aan de slag als huisarts op Terschelling. Het mooie van zo’n eiland is dat het een soort minimaatschappij is, omdat het vaste land op zo'n twee uur varen is. We werken hier met ongeveer zes vaste huisartsen. In plaats van door te verwijzen naar een ziekenhuis, dat hier niet is op het eiland, doen wij veel zelf. Zoals foto’s maken en kleine operaties uitvoeren. Elk seizoen brengt een bepaald soort patiënten met zich mee. In de zomer help je bijvoorbeeld jongeren die comazuipen, in het najaar oudere toeristen die last krijgen van hart-en vaatziekten en in de winter komen de eilanders die eindelijk tijd hebben om met hun klachten naar de huisarts te gaan. Het is nooit saai. ’

Welke ervaring koester je nog altijd uit je Leidse studententijd?

‘Het was inspirerend om college te krijgen van topmensen op hun vakgebied. Zoals professor Hoedemaker van pathologie en Tollenaar van Heelkunde. Ik vond het mooi om deel uit te maken van die academische wereld en daardoor wilde ik ook het beste uit mezelf te halen. Ondertussen maakte ik op Quintus veel vrienden. Ik had het hier dus erg naar mijn zin, maar ik was wel een dwarse student. Ik wilde veel op mijn eigen manier doen. Dus ging ik niet net als mijn medestudenten zo snel mogelijk proberen een gewilde specialisatie te krijgen, maar koos ik ervoor om levenservaring op te doen in de tropen.

‘Ik hoop dat jongeren van nu die ruimte ook hebben of nemen. Tegenwoordig moeten studenten zo snel mogelijk klaar zijn met hun studie. Maar het is zo belangrijk dat je je daarnaast ook als persoon ontwikkelt. Jonge artsen hebben ook levenservaring nodig, zeker als ze patiënten moeten vertellen dat ze uitbehandeld zijn.’

(LvP)

 

Wie: Menno Swier (50)

Studie: Geneeskunde (1985-1992)

Vereniging: Quintus

Favoriete plek in Leiden: de hele binnenstad