Universiteit Leiden

nl en

Hoe kunstenaars het dierenrijk ordenden

Kunstenaars waren in de zestiende en zeventiende eeuw gefascineerd door de ordening in het dierenrijk. Soms liepen ze daarin zelfs voor op natuurhistorici.

Dat blijkt uit onderzoek van kunsthistorica Marrigje Rikken. Zij promoveert 23 juni op diervoorstellingen in de beeldende kunst. De afgelopen jaren onderzocht ze hoe afbeeldingen van dieren tussen 1550 en 1630 een op zichzelf staand kunstgenre werden. ‘Opvallend is de nauwe relatie tussen wetenschap en kunst in die tijd’, zegt Rikken. ‘Zo probeerden kunstenaars ordening aan te brengen in het dierenrijk, net als de biologen van destijds.’ 

Kevers, vlinders en libellen

In sommige gevallen waren de kunstenaars hun tijd zelfs ver vooruit. Zo waren ze eerder geïnteresseerd in insecten dan natuurhistorici. Het was kunstenaar Joris Hoefnagel die rond 1575 voor het eerst miniaturen maakte met daarop kevers, vlinders, libellen en hun veronderstelde verwantschap [zie afbeelding hieronder, red.].

In zijn vier albums deelde Hoefnagel de diersoorten in volgens de elementen vuur, water, lucht en aarde, maar daarbinnen groepeerde hij dieren op basis van overeenkomstige kenmerken.

Evenhoevigen

Ook andere tekenaars, prentmakers en schilders probeerden samenhang aan te brengen in het dierenrijk. Sommigen deden dat nog op alfabetische wijze, maar kunstenaar Marcus Gheeraerts publiceerde in 1583 al een prent waarop hij evenhoevigen combineerde [zie afbeelding hieronder, red.].

Nog steeds behoren de giraf en het schaap – beide zichtbaar op de prent van Gheeraerts – tot deze orde van zoogdieren. Dat geldt overigens niet voor al Gheeraerts’ dieren: de mythische eenhoorn komt in de huidige biologieboeken niet meer voor.

Rijke hovelingen

Volgens Rikken hebben de zogeheten menagerieën historisch gezien een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de diervoorstelling. Deze voorlopers van de huidige dierentuinen waren in de zestiende en zeventiende eeuw met name populair bij rijke machthebbers en hovelingen. Regelmatig arriveerden er onbekende exotische beesten, die stante pede door kunstenaars op papier werden gezet. Rikken: ‘Zo werd de toekan in 1615 vereeuwigd door Jan Brueghel de Oude, huisschilder aan het Brusselse hof [zie hoofdafbeelding, red.].’

In levenden lijve

Rikken ontdekte daarnaast dat het aantal dieren per voorstelling gaandeweg toenam. ‘Tekenaars uit de jaren 70 van de zestiende eeuw legden meestal maar één of enkele dieren vast per blad. Met de komst van prentreeksen een decennium later werden steeds meer dieren op één voorstelling getoond. Dat bereikte zijn hoogtepunt in de rijke schilderijen rond 1600.’ Die schilderijen zijn bovendien veel gevarieerder dan de tekeningen en prenten. Tekenaars en prentmakers kopieerden vaak klakkeloos elkaars motieven, waarbij de dieren in exact dezelfde houding te zien zijn. Schilders schrokken er echter niet voor terug om hetzelfde dier in verschillende posities af te beelden. Rikken: ‘Zo konden ze laten zien dat ze het dier in levenden lijve hadden waargenomen.’