Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Leids onderzoek bevestigt: structureel en buitensporig geweld in Indonesië

Nederlandse militairen gebruikten structureel en extreem geweld tegen de Indonesiërs, zo blijkt uit nieuw onderzoek. In zijn boek Soldaat in Indonesië (publicatie eind oktober) trekt historicus Gert Oostindie uit andere bronnen dezelfde conclusie. Hij presenteert nieuwe bevindingen en maakt duidelijk wat de soldaten bewoog.

100.000 Indonesiërs kwamen om

Het boek is gebaseerd op publicaties van dagboeken en memoires die zich bevinden in de KITLV-collectie, die onder is gebracht in de collectie van de Universiteitsbibliotheek Leiden.
Het boek is gebaseerd op publicaties van dagboeken en memoires die zich bevinden in de KITLV-collectie, die onder is gebracht in de collectie van de Universiteitsbibliotheek Leiden.

De vraag of Nederlanders zich schuldig maakten aan structureel en buitensporig geweld in de periode 1945-1950 was nooit goed beantwoord. De conclusie van historicus Remy Limpach, die dit najaar aan de Universität Bern promoveert, was voorpaginanieuws in de aanloop naar de herdenking van 70 jaar onafhankelijkheid in Indonesië. In zijn boek Soldaat in Indonesië beschrijft Gert Oostindie, Leids hoogleraar en directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), de oorlog op basis van getuigenissen van Nederlandse soldaten. In de onafhankelijkheidsstrijd kwamen volgens een grove schatting 100.000 Indonesiërs om en bijna vijfduizend Nederlandse militairen, naast een hoger, maar onbekend aantal Europese burgers.

Wat is uw reactie op de conclusie van Remy Limpach?

‘Ik deel grotendeels zijn conclusie dat ‘excessief geweld’ niet zo uitzonderlijk is als lang is beweerd, ook door de Nederlandse overheid. Het is goed dat Limpach de context van dit geweld grondig heeft onderzocht. Hij baseert zich, begrijp ik, vooral op overheidsarchieven. Uit het onderzoek met KITLV-collega’s naar egodocumenten van Nederlandse soldaten en veteranen doemt eveneens het beeld op dat er veelvuldig oorlogsmisdaden werden begaan.’

Waar baseert u zich op?

Nederlandse strijdkrachten in Indonesië. Foto: Collectie NIOD
Nederlandse strijdkrachten in Indonesië. Foto: Collectie NIOD

‘Wij onderzochten 700 gepubliceerde getuigenissen van bij elkaar ongeveer 1400 soldaten, zoals dagboeken, correspondenties, memoires en biografische schetsen. Het is een beperkter type bron dan Limpach gebruikt heeft, maar ons corpus is wel min of meer compleet en nu uitputtend onderzocht – ruim boven de 100.000 bladzijden tekst! Dat kon Limpach met de nog veel grotere hoeveelheid overheidsarchieven natuurlijk niet doen. Wij stuitten in deze egodocumenten op zo’n 700 afzonderlijke gevallen van oorlogsmisdaden. Dat is onthutsend. Zeker als je het extrapoleert, dan vrees ik dat je, met vele slagen om de arm, eerder in termen van enkele tienduizenden dan duizenden gevallen zou moeten denken; over de hele periode dienden er immers 220.000 militairen aan de Nederlandse kant.’

In hoeverre verschilt uw aanpak met die van Limpach?

‘Er zijn veel overeenkomsten, we wilden beiden weten hoe structureel excessief geweld werd ingezet, in welke omstandigheden, en hoe de legerleiding en uiteindelijk de politiek hiermee omging: verbieden? gedogen? achteraf toedekken? Limpach onderzocht, naar ik heb begrepen, in de eerste plaats militaire archieven. Dat doen KITLV-onderzoekers ook, maar juist niet in het project Soldaat in Indonesië. Daarin staat het perspectief van de militairen centraal. Aan de hand van hun getuigenissen laat ik ook zien hoe de militairen tegen hun opdracht, tegen Indonesiërs en het onafhankelijkheidsstreven aankeken, hoe zij in de tijd zelf en achteraf oordeelden over de oorlog en hoe zij toen en achteraf reflecteerden op extreem geweld. Sommigen verklaren geweld vanuit een houding van ‘better safe than sorry’, dus beter rigoureus afrekenen met de tegenstander dan zelf slachtoffer worden. Anderen schrijven dat er ook puur uit wraak oorlogsmisdaden zijn gepleegd.’

Oostindie voerde het onderzoek uit met collega’s van het KITLV, in het bijzonder Ireen Hoogenboom en Jonathan Verwey. Ook Leidse studenten en stagiairs werkten eraan mee.
Oostindie voerde het onderzoek uit met collega’s van het KITLV, in het bijzonder Ireen Hoogenboom en Jonathan Verwey. Ook Leidse studenten en stagiairs werkten eraan mee.

‘Maar de meesten schrijven niet over geweld, en er zijn er ook die expliciet aangeven dat zij zich verzetten tegen grof geweld, of achteraf spijt hebben van het optreden van de krijgsmacht. Het beeld is heel gemêleerd. Veel veteranen schrijven over de koele en ontnuchterende ontvangst terug in Nederland. Dat ze worden aangesproken op oorlogsmisdrijven die ze zelf niet hadden gepleegd. Dat alles tracht ik met wetenschappelijke distantie te beschrijven: het is niet aan mij om een moreel oordeel te vellen.’

U pleit voor meer onderzoek naar het geweld in Indonesië. Welke vragen zijn er nog?

‘In 2012 hebben het KITLV, het NIOD en het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) gepleit voor een breed onderzoek naar deze oorlog. De argumentatie is niet veranderd: dit is de grootste oorlog die de Nederlandse krijgsmacht ooit vocht, maar een evenwichtig beeld ervan is er niet. We willen de oorlog begrijpen en tot een evenwichtig oordeel komen over de wijze waarop de krijgsmacht optrad. Dat is inclusief vragen over oorlogsmisdaden en de wijze waarop de militaire leiding en uiteindelijk ook de politiek hiermee omgingen. Het gaat niet om moraliseren. Maar Nederland is het aan zijn eigen stand en vooral ambities verplicht om onbevangen onderzoek te laten doen: wij zijn immers vaak de eersten om andere landen te laten weten hoe belangrijk respect voor mensenrechten is.’

Soldaat in Indonesië, 1945-1950 Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis
Gert Oostindie m.m.v. Ireen Hoogenboom en Jonathan Verwey
(Prometheus-Bert Bakker, 2015)

Het boek wordt op 31 oktober gepresenteerd tijdens de Nacht van de Geschiedenis in het Rijksmuseum.

(18 augustus 2015 - LvP)