Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Rimpelingen in het water maken kwakende kikkers kwetsbaar

Hoe meer de tungarakikker kwaakt, hoe groter de kans op een partner. Maar de trillingen die het geluid op het water teweeg brengen trekken ook roofdieren aan. Dit blijkt uit onderzoek van onder anderen Leids bioloog Wouter Halfwerk. Het artikel hierover verschijnt 24 januari in Science.

De tungarakikker (Physalaemus pustulosus) komt voor in Midden-Amerika. Het mannetje van deze soort brengt in de paartijd de nacht door in een ondiepe plas of poel en probeert vrouwtjes aan te trekken met zijn gekwaak. Het voortplantingsgedrag is niet alleen hoorbaar, want het kwaken veroorzaakt onbedoeld ook rimpelingen in het wateroppervlak. De hunkerende kikker geeft daardoor signalen af die vriend én vijand met verschillende zintuigen kunnen opvangen. De vrouwtjes vangen de signalen op, maar rivaliserende mannetjes, roofdieren en parasieten ook.

Bij rivaliserende mannetjes zorgen de rimpelingen in het water ervoor dat ze sneller gaan kwaken, daarmee stoppen, of overgaan tot de aanval. En het kan nog slechter aflopen, want het mannetje heeft ook te duchten van kikker-etende vleermuizen. Deze dieren vangen het geluid op van de mannetjeskikker en kunnen hierdoor hun prooi lokaliseren en vangen.

Verdedigingsstrategie

‘De tungarakikker heeft een verdedigingsstrategie ontwikkeld om te ontsnappen aan deze roofdieren’, zegt de Leidse bioloog Wouter Halfwerk die hoofdauteur is van het artikel in Science. ‘De kikker stopt onmiddellijk met kwaken zodra hij een vleermuis waarneemt en duikt, als hij op tijd is, naar de bodem van de poel. De rimpeling van het water duurt echter nog enkele seconden voort. Vleermuizen traceren hierdoor hun prooi en overtreffen daarmee de strategie van de kikker. Het onderzoek toont hoe complex interacties tussen dieren kunnen zijn. Kikkers en vleermuizen nemen de rimpelingen op een fundamenteel verschillende manier waar en dit heeft grote gevolgen voor het evolutionaire verloop van communicatie.’

Rol van de omgeving

Halfwerk suggereert dat de vleermuizen gebruik maken van echolocatie. Hoewel niet blind, gebruiken ze om te ‘zien’ toch vaker hun oren dan hun ogen. Ze maken geluiden en vangen de echo’s op die weerkaatsen van voorwerpen in de omgeving. Hierdoor kan de vleermuis de plek en de vorm van die voorwerpen bepalen. De onderzoekers ontdekten dat vleermuizen vaker een kikkermodel aanvielen als ze die plaatsten bij een poel waarin ze rimpelingen maakten. Als de kikker omgeven was door bladeren, maskeerde dat de rimpeling en verdween de voorkeur van de vleermuis. ‘Dit geeft aan dat de omgeving een grote rol speel’, stelt Halfwerk. ‘Aangezien kikkers niet aan echolocatie doen, heeft de omgeving een compleet andere invloed op het waarnemen van rimpelingen voor ze. Vegetatie is waarschijnlijk niet van groot belang, maar zaken die ook trillingen in het water veroorzaken, zoals wind, regen of andere dieren des te meer.’

Samenwerking in onderzoek

Halfwerk voerde het onderzoek uit met een Rubicon beurs van NWO, in samenwerking met de Universiteit van Texas in Austin, het Smithsonian Tropical Research Institute (STRI) en de Universiteit van Salisbury.