Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Gehandicapten bewegen in toekomst dankzij technologie Minority Report

Vanaf vandaag is Microsoft Kinect te koop. Met de camera voor de Xbox 360 is het mogelijk om games te spelen zonder controller. Volgens Fons Verbeek van het Leidse Institute of Advanced Computer Science zou Kinect daarom wel eens het begin kunnen zijn van een hele nieuwe generatie computer interfaces. Het LIACS doet daar onderzoek naar.

Toen de Amerikaan Doug Engelbart in de jaren ‘60 het On-line System ontwierp, één van de allereerste computerinterfaces ter wereld, had hij nooit durven dromen dat we vijftig jaar later onze computers zouden bedienen met simpele handgebaren zoals Tom Cruise in de science fiction-film Minority Report.

Lichaamsbewegingen omzetten in data

Maar dat is nu tot op zekere hoogte mogelijk met Kinect, een geavanceerde camera die je aansluit op een Xbox 360-spelcomputer. Dankzij het apparaat ‘ziet’ de gameconsole wat je aan het doen bent en het zet je lichaamsbewegingen om in data die weer in een computerspel gebruikt wordt. Zo zie je dus een avatar (een virtueel personage) precies dezelfde bewegingen uitvoeren als jezelf.

Maar naast het feit dat je dus kunt vechten tegen een denkbeeldige vijand of een tijgertje kunt belonen door een aaibeweging te maken, is het ook mogelijk om de spelcomputer zélf te bedienen. Zo blader je bijvoorbeeld door je verzameling films op de harde schijf van de Xbox door je hand van links naar rechts te laten bewegen. En aangezien er ook een microfoon in Kinect is verwerkt, hoef je alleen maar ‘play’ te roepen om een film te starten.

Techniek uit het leger

De vrij nieuwe technologie van Kinect komt uit Israël en is eigenlijk ontwikkeld voor het leger. Maar er wordt al veel langer aan dit soort techniek gewerkt. In Amerika heeft het bedrijf Oblong bijvoorbeeld een paar jaar geleden het zogenoemde g-speak ontwikkeld, dat inmiddels al door de Amerikaanse regering wordt gebruikt. De gebruiker dient twee speciale handschoenen aan te trekken waarna hij op meerdere grote schermen interactie heeft met bewegende beelden, foto’s, websites en andere digitale zaken door simpelweg zijn handen en vingers te bewegen.

Gehecht aan de muis

G-speak is echter nog veel te duur om thuis te gebruiken, maar 150 euro voor Kinect is betaalbaar. Volgens Fons Verbeek van het LIACS zou Kinect daarom wel eens het begin kunnen zijn van een hele nieuwe generatie computer interfaces. Het Leidse Institute of Advanced Computer Science waar hij voor werkt, doet daar onderzoek naar. Hij ziet het zwaartepunt van muizen en toetsenborden naar het zogenoemde ‘human interaction’ verschuiven. Toch gaan we dit soort science fiction-interfaces niet op de korte termijn massaal gebruiken, denkt Verbeek. “Mensen zijn toch echt nog steeds heel erg gehecht aan hun toetsenbord en muis. Het aantal gebruikers dat ze aan de kant schuift in ruil voor bijvoorbeeld een touchscreen valt tegen. Het grote probleem met deze nieuwe bewegingsinterface is dat je letterlijk alleen maar lucht voelt. Dit wordt pas handig als je zogenoemde haptische feedback krijgt. Met andere woorden: je moet voélen dat je iets beweegt of vastpakt. Dat bestaat vooralsnog niet.”

Mind control

Volgens Verbeek zijn de ontwikkelingen op het gebied ‘mind control’ veel interessanter. “Er zijn nu geslaagde proeven gedaan waarbij mensen zich in een virtuele wereld kunnen voortbewegen door er aan te denken. Dankzij die technologie kunnen gehandicapten die niet kunnen bewegen toch met computers werken of ze kunnen bijvoorbeeld een robotarm voorwerpen voor hen laten oppakken.”

Diezelfde hersengolven kunnen in theorie óók voor die eerder genoemde ontbrekende haptische feedback zorgen. “Door het stimuleren van de hersenen zou je iemand het gevoel kunnen geven dat ze een voorwerp vasthebben”, legt hij uit. Maar het kan nog veel gekker: “Reuk is altijd al het ondergeschoven zintuig geweest wat dit soort dingen betreft. In principe zou je mensen ook iets kunnen laten ruiken. Dan krijgt een game of film absoluut een extra dimensie.” 

Bron: Spits door Dennis Mons