Universiteit Leiden

nl en

Economie

Richtlijnen bij het schrijven van een paper

Een paper moet aan bepaalde eisen voldoen. Deze leiden tot een aantal toetsingscriteria die hieronder elk afzonderlijk worden besproken.

Daarbij wordt gebruik gemaakt van de manier van verwijzen die in de sociaal-wetenschappelijke literatuur gangbaar is. NB. Voor de juridische wijze waarop de literatuur in de literatuurlijst dient te worden weergegeven, verwijzen wij naar de Leidraad voor Juristen, die gratis is te downloaden via www.kluwer.nl/leidraad. De leidraad voor juristen biedt handzame richtlijnen voor de meest voorkomende praktische vragen rond voetnoten en verwijzingen, literatuurvermeldingen, afkortingen en dergelijke. In een eenvoudige opzet worden de meest voorkomende problemen die bij het schrijven van een juridische tekst kunnen rijzen, behandeld.

Inleiding

Een paper moet ten minste aan de volgende eisen voldoen:   

  • het moet snel duidelijk zijn (titel en inleiding) waar het stuk precies over gaat en wat de probleemstelling is;
  • het betoog moet overzichtelijk zijn ingedeeld in hoofdstukken en onderverdeeld in paragrafen;
  • het betoog moet een goed overzicht bieden van de relevante theorie, feiten en argumenten, zonder vast te lopen in bijzaken en details;
  • de conclusie dient duidelijk te maken wat het antwoord op de probleemstelling van de auteur is over de door hem afgebakende probleemstelling én hoe hij tot die mening is gekomen.   

Deze eisen leiden tot een aantal toetsingscriteria. Die vindt u hieronder genoemd en daarna elk afzonderlijk besproken.

Voor studenten die meer willen weten over de basisprincipes van het schrijven van wetenschappelijke teksten over economische onderwerpen is beslist een aanrader: Gerritsen, S. (2006), Schrijfgids voor economen, Bussum: Uitgeverij Coutinho, 218 p. 

Beoordelingscriteria paper

Bij de beoordeling van het paper worden de navolgende criteria gehanteerd:

  • structuur van het betoog
  • kwaliteit van de argumentatie       
  • gebruik van de relevante literatuur 
  • vormgeving en presentatie 

Structuur van het betoog

Hier gaat het er om of het betoog "logisch" in elkaar zit. Dat begint bij de inleiding. Die bevat een duidelijke en kernachtige beschrijving van wat de lezer kan verwachten: 

  • waar gaat dit paper over?        
  • welke vragen rijzen er bij dit onderwerp?       
  • welke van die vragen zullen in dit paper worden behandeld, en welke blijven - gemotiveerd - buiten beschouwing?        
  • welk theoretisch kader wordt gebruikt; is sprake van een empirische analyse c.q. literatuurstudie?        
  • hoe zit het verdere betoog in elkaar (een "leeswijzer")?  

Vervolgens komt de eigenlijke uiteenzetting. Zorg er voor dat de lezer niet in uw redeneringen verdwaalt, door een logische indeling in hoofdstukken en paragrafen aan te brengen. Elke paragraaf behandelt één deelonderwerp of deelvraag door relevante feiten te presenteren en waar nodig alternatieve gezichtspunten af te wegen. De conclusie sluit naadloos aan op de inleiding. U beziet welke vragen u hebt kunnen beantwoorden, en tot welke inzichten u daarbij bent gekomen. Bedenk dat er verschillende soorten conclusies mogelijk zijn. U kunt tot een eigen mening komen over de vraag die ten principale aan de orde is ("maatregel X verdient wel/geen aanbeveling, omdat..). U kunt ook tot de conclusie komen dat het formuleren van zo'n mening (nog) niet mogelijk is ("of maatregel X aanbeveling verdient kan pas worden vastgesteld als we weten...").

Kwaliteit van de argumentatie

Bij dit criterium gaat het om het niveau dat uw analyse bereikt in verhouding tot de gebruikte literatuur. Uiteraard geeft een paper een duidelijk beeld van het onderwerp: de relevante feiten, de gezichtspunten en actuele ontwikkelingen. Maar een goed paper zet een stap verder. Een oppervlakkige samenvatting van de voorgeschreven literatuur volstaat niet, en evenmin het uitsluitend naast elkaar plaatsen van uiteenlopende presentaties van feiten en conflicterende opvattingen. Kritisch omgaan met de literatuur betekent dat u afweegt wat u leest. Eigen inzicht begint waar u zich inspant om uiteenlopende (en botsende) opvattingen te begrijpen. Dit houdt natuurlijk ook in dat u eigen inzichten zo goed mogelijk moet onderbouwen. Ze moeten altijd vergezeld gaan van terzake doende en gefundeerde argumenten, en dienen betrekking te hebben op het behandelde probleem.

Verwerking relevante literatuur

Uit de inhoud van het paper moet voldoende duidelijk worden dat u de voorgeschreven literatuur actief hebt doorzocht op zoek naar bruikbare informatie en inzichten en inhoudelijk recht doet aan de geraadpleegde bronnen. Het is daarnaast nuttig om andere bronnen van informatie te raadplegen, zoals vaktijdschriften en -literatuur. Belangrijke actuele ontwikkelingen moet u in elk geval niet missen.Verwerken van relevante literatuur is iets wezenlijk anders dan kopiëren, knippen en plakken. Het gebruik van elektronische documenten dient dus met zorg te geschieden. Bij uitgesproken plagiaat (grotere tekstdelen die letterlijk zijn overgenomen) treedt artikel 15a van Regelen en Richtlijnen Examens in werking. 

Vormgeving en presentatie

Een goede presentatie van uw paper betreft zowel de tekst als de literatuurverwijzingen.

  • (a) De tekst: Een slecht geschreven tekst overtuigt ook inhoudelijk vaak niet. Uw tekst is uiteraard gesteld in goed Nederlands en, waar u Engelse vaktermen gebruikt, in goed Engels. Gebruik de spellingcontrole van uw PC, al beschermt die u niet tegen onjuist gebruik van werkwoordsvormen. Als u tabellen of grafieken opneemt, geeft u ze een eigen doorlopende nummering.Wie klaar is met schrijven, moet nog beginnen aan een doeltreffende presentatie van de inhoud. Dat is geen gemakkelijke taak, omdat het vereist dat de schrijver zich in de positie van de lezer verplaatst. Wat voor de auteur een interessant vergezicht is, kan voor de lezer een zijspoor in de redenering zijn. Waar de auteur denkt dat zeven argumenten beter zijn dan twee, raakt de lezer de hoofdlijn kwijt. Een eenvoudige techniek om de presentatie van een betoog te verbeteren bestaat uit twee onderdelen: duidelijk indelen in hoofdstukken en paragrafen, en woorden schrappen. Een verhaal dat inhoudelijk "af" is wint praktisch altijd aan kracht door het op overbodige woorden, zinswendingen en redeneringen te controleren. Een forse reductie van het aantal woorden zal veelal een substantiële verbetering opleveren.
  • (b) Verwijzingen naar gebruikte literatuur: Literatuurverwijzing door voetnoten maakt voor de lezer duidelijk aan wie u informatie en inzichten ontleent. U hebt immers niet alles zelf bedacht wat u schrijft, en bovendien wil de lezer misschien weten waar hij verdere informatie kan opdoen. Een voetnoot is verplicht bij citaten. Het plaatsen van een voetnoot is ook nodig waar u een inzicht uit de literatuur of een stellige opvatting presenteert. Indien u een grafiek of tabel overneemt, vermeldt u de bron direct er onder (dus niet in een voetnoot).U kunt voetnoten ook gebruiken voor alles wat u niet in de hoofdtekst wilt hebben maar toch wilt melden: uitleg van begrippen, tegenargumenten die u niet gewichtig lijken.In de literatuurlijst neemt u naast alle in de noten vermelde werken ook de niet aangehaalde maar wel geraadpleegde werken op. De literatuuropgave dient alfabetisch te zijn op achternaam van de (eerste) auteur of, indien de auteur niet wordt genoemd, op de beginletter van de naam van de publicerende instelling. Voor artikelen is de citeerwijze: auteursnaam, titel artikel, naam tijdschrift (cursief), jaargang en relevante bladzijdennummers. Voor boeken: auteursnaam, titel boek (cursief), plaats en jaar van uitgave. In een voetnoot komen de voorletters voor de naam, in de literatuurlijst er achter. Academische titels worden niet gebruikt. Geraadpleegde websites vermeldt u onder een afzonderlijk hoofdje in de literatuurlijst.  

Voorbeeldverwijzingen in een literatuurlijst

Hieronder vindt u een aantal voorbeelden van verwijzingen naar verschillende soorten referenties: wetenschappelijke boeken, artikelen, bijdragen in een boek, onderzoeksrapporten en oraties. In de literatuurlijst dienen alle referenties in alfabetische volgorde in één lijst opgenomen te worden (dus niet gerangschikt naar het soort referentie).

Wetenschappelijk boek
Caminada, C.L.J., en K.P Goudswaard (2003), Verdeelde zekerheid. De verdeling van lasten en baten van sociale zekerheid en pensioenen, Meijersreeks nr. 64, Sdu Uitgevers, Den Haag, 251 pp.

Boek in een reeks
Goudswaard, K.P., C.L.J. Caminada en H. Vording (2004), Naar een transparanter loonstrookje, Meijersreeks nr. 79, Boom Juridische uitgevers, Den Haag, 109 pp.

Wetenschappelijk artikel
Caminada, K., and K.P. Goudswaard (2005), ‘Are public and private social expenditures complementary?’, International Advances in Economic Research, Volume 11 (2), pp. 175-189.
Goudswaard, K.P., en K. Caminada (2006), ‘Het profijt van levensloop’, Economisch Statistische Berichten, 17 november 2006, blz. 598-600.
Goudswaard, K.P., K. Caminada, and H. Vording (2006), ‘Financing the Welfare State’, Tax Notes International, vol. 42 (8), 22 May 2006, pp. 731-737.  

Bijdrage in een boek
Caminada, C.L.J., K.P. Goudswaard en H. Vording (2006), ‘Vergezichten op een vlakke belasting’, in: C.A. de Kam en A.P. Ros (red.), De vlaktaks. Naar een inkomstenbelasting met een uniform tarief?, Dreesforum nr. 2, Den Haag: Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën, pp. 61-78.
Caminada, C.L.J., en E. Pommer (2004), ‘Trends, inkomen en beleid’ in: C.A. de Kam en A.P. Ros (red.), Jaarboek Overheidsfinanciën 2004, Sdu Uitgevers, Den Haag, pp. 177-203.
Vording, H., K.P. Goudswaard en K. Caminada (2006), ‘De Wet IB 2001: betere instrumenten voor fiscale inkomenspolitiek?’, in: A.C. Rijkers en H. Vording (red.), Vijf jaar Wet IB 2001, Meijersreeks nr. 114, Kluwer, Deventer, pp. 131-146.  

Wetenschappelijke onderzoeksrapporten
Caminada, K., and K.P. Goudswaard (2004), ‘Are public and private social expenditures complementary?’, Department of Economics Research Memorandum 2004.01, Universiteit Leiden.
Caminada, K., and K.P. Goudswaard (2005), ‘Budgetary costs of tax facilities for pension savings: an empirical analysis.’, Department of Economics Research Memorandum 2005.03, Universiteit Leiden.

Proefschrift
Caminada, C.L.J. (1996), De progressie van het belastingstelsel, proefschrift Universiteit Leiden, Thesis Publishers Amsterdam.

Oratie
Caminada, C.L.J. (2006), Empirische analyses van sociale en fiscale regelgeving, oratie, Leiden.

Stukken Tweede Kamer
Tweede Kamer (2005), Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid; Nota ‘Ouderenbeleid in het perspectief van de vergrijzing’, kamerstuk 2004-2005, 29389, no. 5, Den Haag.

Websites
Centraal Bureau voor de Statistiek, Data personele inkomensverdeling 1990-2000, te raadplegen via www.cbs.nl, doorklikken op Statline, de elektronische databank van het CBS, Voorburg / Heerlen.
Afdeling Economie Universiteit Leiden, te raadplegen via www.economie.leidenuniv.nl.

Opzet / werkplan bij het schrijven van een paper

Het verdient aanbeveling om in het beginstadium van een onderzoek een werkplan te maken. Zo kunnen bijvoorbeeld docenten en/of medestudenten begrijpen welke benadering u voor ogen staat, zodat daarop zinvol commentaar gegeven kan worden. Vorm (omvang 1 à 2 A4): een titelblad (titel, namen en studentnummers auteurs, opleiding), een formulering én afbakening probleemstelling, een kort toegelichte hoofdstukindeling (paragrafen) en een literatuuroverzicht. Geef daarbij in ieder geval inhoud aan onderstaande vragen.

  1. Is de vraagstelling duidelijk en interessant?
    Uit een duidelijke vraagstelling volgt meteen een onderzoeksstrategie. Een vraagstelling is interessant als de belangstelling naar het antwoord wordt gewekt.
  2. Is het duidelijk of en hoe de vraagstelling kan worden beantwoord?
    Het moet voldoende duidelijk zijn hoe het onderzoek tot beantwoording moet leiden. Retorische vragen bevatten het antwoord al; te algemene vragen zijn nauwelijks te beantwoorden. Een goede vraagstelling bevat zijn eigen afbakening.
  3. Zijn (eventuele) deelvragen inderdaad deelvragen?
    Deelvragen hebben geen ander doel dan de stapjes beschrijven die voor een ordelijke beantwoording van de hoofdvraag nodig zijn. Ze moeten dus vooral geen zijsporen betreffen.
  4. Is er voldoende inzicht in de beschikbaarheid van literatuur, gegevens, en dergelijke dat nodig is om de vraag te beantwoorden?
    Ook vragen die duidelijk, interessant en goed te beantwoorden zijn, kunnen nog stranden op de feitelijke omstandigheid dat niemand er iets over heeft geschreven. Hebben de auteurs in hun werkplan al een bruikbaar ‘spoor’ gevonden? Hebben ze belangrijke artikelen, rapporten, en dergelijke over het hoofd gezien?
  5. Samenvattende algemene beoordeling: is dit een goed hanteerbaar werkplan? Wat kan er beter?