Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Publicatie

Democratie is toch niet voor bange mensen?

Het is zover. Nederlandse burgers mogen stemmen bij het landelijke raadgevende referendum. Een unieke gebeurtenis. Allicht daardoor een gebeurtenis waarvan de aanloop opmerkelijke zaken liet zien. Door onwennigheid met idee en praktijk van een weinig beproefd democratisch instrument, zo lijkt het. Drie voorbeelden.

Auteur Joop van Holsteyn
Datum
Links Trouw, woensdag 6 april 2016, pagina 23

Allereerst het voortdurende ach en wee over het referendum binnen de representatieve democratie. Dat zou niet passen. Hier geldt echter dat de democratische boer niet wenst te vreten wat hij niet kent. Immers, niet alleen is het referendum wettelijk verankerd en voorzien van het parlementaire stempel van goedkeuring. Maar de uitkomst ervan hoeft de instituties van de vertegenwoordigende democratie geenszins te hinderen. Het is vaak gezegd maar lijkt niet door te dringen: de uitslag is hoe dan ook een advies, waarmee regering en gekozen volksvertegenwoordigers, afhankelijk van de uitslag, aan de slag moeten. Zij houden het laatste woord.

Meer fundamenteel: het idee dat de representatieve democratie zoals we die hier kennen de enige ware vorm van democratie zou zijn, is dubieus en aanvechtbaar. De positie dat die vertegenwoordigende democratie welbeschouwd een gemankeerde uitwerking is van het democratische idee, waarbij het volk als volk beslist, is goed verdedigbaar. Omdat we gewend zijn geraakt aan een vertegenwoordigende democratie, die tal van weinig democratische maar veeleer aristocratische elementen in zich heeft, zijn we gaan geloven dat die representatieve vorm de enige echte is. De praktijk heeft zich ontwikkeld tot norm. En nu er een figuur van directe democratie opduikt, wordt die variant beoordeeld in het licht van de op de praktijk gewortelde norm. Bezien in het licht van het democratisch ideaal is het lang zo vanzelfsprekend niet, dat de vertegenwoordigende democratie superieur moet worden geacht.

Een ander opmerkelijk geluid richting 6 april had betrekking op motieven van betrokkenen. Met name enkele initiatiefnemers van het referendum kregen het te verduren. Zij waren eigenlijk tegen de EU; het associatieverdrag met Oekraïne kon hun als zodanig niet veel schelen. Een ontmaskering, zo werd het genoemd, en de vraag kwam op of het referendum niet zou moeten worden afgeblazen. Maar wat doen dergelijke motieven ertoe? Wat die initiatiefnemers heeft gedreven is irrelevant. Wat telt is dat in eerste instantie volgens de geldende spelregels een initiatief tot een referendum is genomen, en dat voldoende burgers met hun handtekening lieten weten dat initiatief te steunen. Zij tekenden voor een referendum over de goedkeuring van het associatieverdrag, en dat is precies waar de referendumvraag betrekking op heeft. Achterliggende motieven, van de initiatiefnemers of wie dan ook, doen er niet toe.

Dat raakt een derde punt dat speelde, anders dan bij reguliere verkiezingen. Dat betreft de campagnevoering, vooral het gevoerde debat; dat daarnaast diverse praktische kwesties (beschikbaarstelling stemlokalen, toewijzing subsidies) tekenen van onwennigheid vertoonden, moge duidelijk zijn. Het debat over het associatieverdrag ging namelijk niet alleen maar om argumenten voor en tegen, maar kende een parallel debat over de juistheid van die argumenten. Dat argument telt niet, daarover gaat het referendum niet! De onwennigheid leidde tot een debat over het debat, omdat aard, grenzen en werkwijze van het raadgevende referendum als democratisch instrument afgetast en nader bepaald moesten worden.

Alles went, heet het. Al kan het nog wel even duren, voordat de huidige onwennigheid zich heeft ontwikkeld tot een meer soepele, minder overspannen omgang met een referendum als democratisch instrument, dat voor sommigen nogal beangstigend is. Maar democratie, dat was toch niet voor bange mensen?