Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Waarom wel economische groei in Zuidoost-Azië en niet in Sub-Sahara Afrika?

Waarom hebben de meeste Zuidoost-Aziatische landen een spectaculaire economische ontwikkeling doorgemaakt waarvan het grootste deel van de bevolking heeft geprofiteerd? En waarom bijna geen enkel Afrikaans land in de Sub-Sahara? David Henley, hoogleraar Modern Indonesië, beantwoordde deze vragen in zijn oratie op 7 oktober. Het antwoord is te vinden in de landbouw.

Ontwikkelingswonder

Prof.dr. David Henley
Prof.dr. David Henley

In de meeste Zuidoost Aziatische landen, zoals Indonesië, Maleisië en Thailand  is het tussen 1970 en 1990 heel hard gegaan. In Indonesië haalde het ‘ontwikkelingswonder’ een groot gedeelte van de bevolking onder de armoedegrens vandaan: het percentage zeer armen zakte in twintig jaar van 60 naar 15. De levensverwachting steeg van 47 naar 65 jaar.

Twee oogsten per jaar

Er zijn al allerlei verklaringen aangedragen voor dit wonder maar volgens Henley bleken die geen van allen steekhoudend. Hij ontdekte dat de economische ontwikkeling in bijvoorbeeld Indonesië en Maleisië begon bij de boeren, die voordien bitter arm waren. En wel door zodanig in hen te investeren dat ze twee keer in plaats van een keer per jaar een oogst konden binnenhalen. Het ging om gedeelde groei, een breed verankerd patroon van ontwikkeling. En de bloei van de landbouw bleek als vliegwiel te fungeren voor verdere ontwikkeling.

Kijken naar symbolen

Rijstvelden in Indonesië. De snelle welvaartsstijging op het Zuidoost-Aziatische platteland fungeerde als vliegwiel voor de verdere economische ontwikkeling.
Rijstvelden in Indonesië. De snelle welvaartsstijging op het Zuidoost-Aziatische platteland fungeerde als vliegwiel voor de verdere economische ontwikkeling.

Net als destijds Zuidoost-Azië, zijn de Sub-Saharalanden overwegend agrarisch: 60% van de bevolking werkt in deze sector. Maar de aanpak van de regeringen lijkt, zoals Henley het bondig samenvat: kijken welke symbolen rijke landen tot rijke landen maken en die ook proberen te realiseren. En wat rijke landen tot rijke landen maakte, zagen de Afrikanen, waren industrie en onderwijs. Tegenwoordig zijn er nieuwe symbolen: computers, supermarkten, good governance en mensenrechten. Alleen in Kenia is eveneens geprobeerd aan te haken bij de landbouw, maar daar profiteerde slechts een relatief kleine groep uitverkoren boeren van.

Visionairs?

Waren de Zuidoost Aziatische machthebbers dan grotere visionairs? Nee, stelt Henley. Hun horizon ging niet verder dan vijf jaar. Waarom dan toch ‘het goede’ gedaan? Mede uit angst voor een communistische opstand. Men zag wel dat armoedebestrijding eventuele linkse sentimenten de wind uit de zeilen zou nemen. Afrikaanse leiders hebben juist een sterkere langetermijnvisie, maar het ontbreekt vaak aan adequate stappen en ook nogal eens aan realistische langetermijndoelen.

Wegwezen en nostalgie

In Afrika wordt onderwijs gezien als belangrijk vehikel voor ontwikkeling.
In Afrika wordt onderwijs gezien als belangrijk vehikel voor ontwikkeling.

Waarom koos Zuidoost Azië voor het succesvolle model van de landbouw, en Afrika niet? In beide regio’s hebben veel machthebbers hun wortels op het platteland. Maar door het zo verschillend verlopen koloniale verleden zijn in de Sub-Sahara de banden tussen de rurale en de urbane gebieden goeddeels verdwenen, terwijl die in Azië altijd zijn blijven bestaan. In de Sub-Sahara is het platteland iets waar je moet wegwezen, in Zuidoost-Azië vervult het platteland met nostalgie en waardering. Een verschil in sentiment met grote gevolgen.

(11 oktober 2011 / Corine Hendriks)