Universiteit Leiden

nl en

Internationale waardering voor duizendpoot Eiko Fried

Eiko Fried (Klinische psychologie) raakte geïnspireerd door het idee van psychische stoornissen als complexe eigenschappen met "fuzzy boundaries", in plaats van het categoriseren van psychiatrische aandoeningen. Voor zijn onderzoek is hij beloond met de Janet Taylor Spence Award van de Association for Psychological Science (APS). Fried vertelt wat deze prijs voor hem betekent.

Eiko Fried

‘Het is een enorme eer om een prijs te ontvangen die gewijd is aan de nagedachtenis van Janet Taylor Spence.’ 

Eiko Fried: ‘De prijs weerspiegelt mijn inspanningen en de vele uren die ik in het onderzoek heb gestoken. Het geeft ook blijk van de steun van de Universiteit Leiden en andere universiteiten waar ik eerder heb gewerkt. Maar deze prijs is vooral een waardering van de geweldige mentoren en collega's met wie ik de afgelopen tien jaar heb mogen samenwerken. Hun bijdragen hebben mij geholpen om te groeien in de rol van een duizendpoot die bruggen weet te slaan tussen verschillende specialisten om kennis optimaal te benutten. Dit onderzoek had niemand van ons alleen kunnen doen: wetenschap als teamsport is leuker én ook beter.  

Pionier

Janet Taylor Spence was niet alleen beroemd vanwege de kwaliteit van haar baanbrekende onderzoek, maar ook om haar dienstbaarheid in een hele reeks disciplines, waaronder klinische psychologie, persoonlijkheidspsychologie, meetkunde en genderonderzoek. 
APS Janet Taylor Spence Award for Transformative Early Career Contribution

‘De afgelopen tien jaar heb ik mij beziggehouden met vier grote vragen: hoe kunnen we geestelijke gezondheidsproblemen het best begrijpen, meten, modelleren en classificeren? Geestelijke gezondheid of ziekte is een gevolg van complexe, dynamische, bio-psychosociale systemen. Ik hoop dat dit uitgangspunt perspectief zal bieden voor alle vier mijn onderzoekinteresses.’

Wat wakkerde uw interesse aan voor uw bekroonde onderzoek? 

‘Ik vind het belangrijk om verder te kijken dan een vereenvoudigde tweedeling van gezond versus depressief. Drie gebeurtenissen in 2013 hebben me daartoe aangemoedigd. Ten eerste de gepubliceerde praktijktesten van de DSM-5: voor depressie bleek de betrouwbaarheid op slechts 0,28 te liggen, een van de laagste van alle onderzochte diagnoses. Ten tweede las ik een blog van Thomas Insel, directeur van The National Institute of Mental Health (NIMH), Transforming Diagnoses. Het NIMH zou zich “heroriënteren” op het onderzoek “weg van de DSM-categorieën", vooral vanwege een gebrek aan validiteit. En ten derde het oeuvre van de vooruitziende Alfred Hoche in 1912. Meer dan een eeuw geleden uitte hij kritiek op de “gedreven maar vruchteloze activiteit” van het willen categoriseren van psychiatrische aandoeningen vanuit de “onaantastbare overtuiging dat het zelfs op het gebied van de psychiatrie mogelijk moet zijn om duidelijk gedefinieerde, zuivere en uniforme vormen van ziekten te ontdekken”.’

Waar bent u in dit onderzoeksgebied het meest trots op?

'Ons werk van de laatste jaren heeft geleid tot de financiering van een 5-jarig project door de European Research Council: het ontwikkelen van een gepersonaliseerd waarschuwingssysteem voor het vroegtijdig voorspellen van depressie bij jonge volwassenen . Daar ben ik ontzettend trots op. Ik ben nu bezig om mijn team te werven, waarmee we over een paar maanden van start gaan. De eerste stap is het verzamelen van gegevens van 2.000 studenten via wearables. Daarna zullen we complexe systeemtheorie en statistische netwerkmodellen gebruiken om de overgang naar depressie proberen te voorspellen, om effectievere gepersonaliseerde preventieprogramma’s te ontwikkelen en in te zetten.' 

Welke factoren hebben tot uw succes geleid? 

'Ik heb het voorrecht gehad om de laatste jaren in zes landen te wonen. Hoewel mijn promotieonderzoek bij de klinische psychologie zat, heb ik vier jaar lang in methodologie-afdelingen gewerkt. Dit heeft mij geholpen om in internationale en interdisciplinaire teams te werken. De laatste twee jaar heb ik bijvoorbeeld met Jessica Flake samengewerkt voor onderzoek naar twijfelachtige meetpraktijken; met Donald Robinaugh over theorieën van psychische storingen; met Astrid Chevance over het betrekken van patiënten en verzorgers bij het onderzoek naar depressie; met Teague Henry over het controleren van dynamische systemen; en met Sacha Epskamp over statistische tutorials. Ik wil deze onderzoekpartners bedanken voor hun inspiratie en steun. Dankzij hen heb ik een goed subsidievoorstel ingediend bij de European Research Council.'

Welke wetenschappers hebben een grote invloed gehad op uw loopbaan? 

'In mijn werk ontmoette ik een aantal fantastische mentoren. De belangrijksten waren Katja Liebal (primatologie), Randolph Nesse (geneeskunde), Francis Tuerlinckx (statistiek), Denny Borsboom (psychometrie) en Kenneth Kendler (psychiatrie) – dankzij hun hulp ben ik een betere onderzoeker geworden, maar ook een betere mentor voor mijn eigen studenten. Bovendien heb ik op congressen vele briljante collega's, onderzoekpartners en vrienden ontmoet, met talrijke nieuwe ideeën en samenwerkingsverbanden als gevolg. Een voorbeeld van zo'n congres is natuurlijk de APS. Sinds 2014 heb ik alle fysieke bijeenkomsten bijgewoond. Ze waren bepalend voor mijn loopbaan en hielpen mij de kloof tussen de Europese en de Amerikaanse onderzoekcultuur te overbruggen. Een ander voorbeeld is SIPS, de Society for the Improvement of Psychological Sciences. Dit is een jonge gemeenschap van gelijkgestemde onderzoekers die problemen hebben geconstateerd met transparantie, reproduceerbaarheid en repliceerbaarheid. Ook staan ze bekend om het bedenken van baanbrekende teaminitiatieven zoals de psychological science accelerator . De SIPS-congressen gaven me energie en kennis om mijn eigen open science-praktijken verder te verbeteren. Ik genoot van de SIPS hackathon sessies, een format dat we in 2019 ook bij APS invoerden.'

Welke vraagstukken hoopt u in de toekomst aan te pakken? 

'In het onderzoek naar geestelijke gezondheid hebben we onszelf al veel te lang te simplistische verhalen verteld. Wij stellen nog steeds vragen als "wat is de hoofdoorzaak van depressie?" en "wat zijn de genen voor obsessieve compulsieve stoornis?". Een nuttiger vraag lijkt mij: wat zijn de biopsychosociale elementen die tot psychische aandoeningen leiden en deze in stand houden. En hoe werken deze elementen op elkaar in gezien de verschijnselen? Ik geloof dat het omarmen van complexiteit in plaats van het herformuleren van eenvoudige verhalen een dieper begrip van psychische stoornissen zal bevorderen en uiteindelijk zal leiden tot effectievere preventie en interventie. Ik ben ervan overtuigd dat een dergelijke verfijning op meerdere niveaus moet plaatsvinden: zowel op theoretisch niveau, bijvoorbeeld via geformaliseerde theorieën, als op statistisch niveau, bijvoorbeeld via modellen van dynamische systemen.'  

Bron: 2021 APS APS Janet Taylor Spence Award Eiko Fried

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.