Universiteit Leiden

nl en

Rapport: wat heeft onze urban mine te bieden?

Het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden (CML) brengt op 21 januari twee rapporten uit over de circulaire economie en urban mining in Nederland. Hierin maken ze, samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de balans op van een deel van de Nederlandse ‘stedelijke mijn’: hoeveel grondstoffen kunnen we hergebruiken uit het elektriciteitsnetwerk, of uit bestaande gebouwen?

De rapporten van het CML komen uit op de dag dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) 2021 aan staatssecretaris Stientje van Veldhoven zal overhandigen. De CML-rapporten vormen onderdeel van het programma Monitoring en Sturing Circulaire Economie (zie kader), het door PBL gecoördineerde onderzoeksprogramma dat aan de ICER-rapportage ten grondslag ligt. Het CML is één van de instituten die structureel bijdragen aan dit programma.

Ester van der Voet

Het eerste rapport brengt de voorraden in kaart van de materialen in bestaande gebouwen – zoals beton, staal en hout, maar ook van elektrische apparaten en textiel. Het tweede rapport neemt het elektriciteitssysteem onder de loep en kijkt naar de instroom (vraag) en uitstroom (afdanking) van materialen tot 2050, onder verschillende scenario’s. De uitstroom geeft een beeld van de hoeveelheid materialen die beschikbaar komen voor hergebruik of recycling: de urban mine van Nederland. ‘Zo blijkt uit ons rapport dat de urban mine voor koper in Nederland per hoofd van de bevolking al groter is dan de hoeveelheid koper die per wereldburger nog in geologische mijnen zit,’ zegt CML-onderzoeker Ester van der Voet. 

De maatschappij als mijn

‘Het idee achter een circulaire economie is dat je materialen en grondstoffen zo lang mogelijk in gebruik houdt, zodat je zo min mogelijk nieuwe grondstoffen nodig hebt,’ legt ze uit. ‘Een onderdeel hiervan is urban mining, waarin je de maatschappij beschouwt als een mijn waar je materialen uithaalt voor nieuw gebruik. Eigenlijk is het een verschuiving van geologische mijnen – zoals een kopermijn of een zandafgraving – naar stedelijke mijnen.’ 

De kopermijn Chuquicamata in Chili. De mijn is een van de grootste open kopermijnen ter wereld. (© Diego Delso)

Black box

Alleen weten we eigenlijk helemaal niks van deze stedelijke mijn, zegt Van der Voet. ‘Er is veel informatie over productie en consumptie, of over de hoeveelheid grondstoffen die we uit geologische mijnen halen. Maar we weten niet waar al die grondstoffen terechtkomen. Want zodra ze in de gebruiksfase terecht komen, droogt de informatie op. De hoeveelheden materialen in gebouwen, infrastructuur, voertuigen en allerlei producten in gebruik zijn onbekend en worden nergens bijgehouden. Zelfs van afval, de uitstroom uit de stedelijke mijn, weten we vaak niet wat de samenstelling is.’ 

En die kennis is essentieel, betoogt Van der Voet. ‘De materialen in urban mijnbouw zijn in gebruik en zijn daarmee niet meteen beschikbaar. Aan de andere kant wordt de stedelijke mijn steeds aangevuld, terwijl gewone mijnen uitgeput raken. Een bedrijfsplan voor stedelijke mijnbouw zal er dus anders uit moeten zien, maar het is van even groot belang om het te maken. Kijk maar naar koper, waarbij de urban mine veel te bieden heeft.’

Energietransitie

In 2019 bracht het CML met het CBS al in kaart hoeveel grondstoffen er in het bestaande elektriciteitsnetwerk zitten. Dit jaar rapporteren CML-onderzoekers wanneer die grondstoffen vrijkomen voor nieuwe projecten en hoeveel nieuwe materialen er nodig zijn. ‘De energietransitie maakt deze sector ontzettend interessant,’ zegt Van der Voet. ‘Er komen steeds meer zonnepanelen en windmolens en het energienet moet worden uitgebreid. Daardoor neemt de materiaalbehoefte toe. Denk aan meer kabels, metaal voor de windmolens enzovoort.’ 

Tegelijkertijd komen er door de energietransitie ook oude materialen vrij. ‘De kolencentrales zullen op den duur sluiten en daar komt veel kwaliteitsstaal uit vrij, net als oude kabels vol met bruikbaar koper en aluminium. Daarnaast hebben windmolens en zonnepanelen een relatief korte levensduur, dus er komt nu al een eerste lading aan van oude windmolens die we kunnen hergebruiken of recyclen.’  

In deze figuren zijn de staalvraag (instroom) en het afgedankte staal (uitstroom) van het elektriciteitssysteem in Nederland te zien. De instroom blijkt groter dan de uitstroom: de voorraad groeit. Een belangrijk aandeel wordt gevormd door windturbines. De pieken in de uitstroom zijn kolencentrales op het moment van hun geplande afdanking. Dit betekent dat op korte termijn nieuw staal nodig zal blijven om de voorraad op te bouwen. Op langere termijn, als de capaciteit is opgebouwd, kan de vraag afvlakken en heeft de uitstroom de kans om de instroom in te halen. (© Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden)

Gebouwen recyclen 

In een tweede rapport maakt het CML samen met het CBS een inschatting van gebouwen die te gebruiken zijn als stedelijke mijn. ‘Dit gaat over ontzettend veel grondstoffen, voornamelijk beton,’ zegt Van der Voet. ‘Wij hebben de omvang van deze mijn in kaart gebracht. Komend jaar gaan we kijken wat je daaruit kan hergebruiken. Dat gaat van onderdelen – zoals ramen en deuren – tot hele facades. Maar je kan ook materialen recyclen, zoals staal en beton.’ En die technieken bestaan al, zegt de milieuwetenschapper. Zo is de oude hoogbouw van de bètafaculteit van de Universiteit Leiden duurzaam gesloopt en hergebruikt.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

Promofilm over de bouw van Biopartner 5, dat 165.000 kilo afvalstaal hergebruikt van de gesloopte Gorlaeus Hoogbouw. 

‘Gerecycled beton is alleen duurder dan nieuw beton. Daarnaast aarzelen bouwbedrijven om die materialen toe te passen, omdat ze niet altijd vertrouwen op de kwaliteit ervan en of gerecycled beton wel voldoet aan alle strikte richtlijnen. Terwijl de kwaliteit van gerecycled beton net zo hoog kan zijn. Dus daar valt in de communicatie nog wel winst te behalen denk ik.’ 

Circulaire economie: feit of fabel?

In tegenstelling tot eerdere hypes op duurzaamheidsgebied ziet Van der Voet wel toekomst in de circulaire economie. ‘Het principe is goed. De groei in de grondstoffenvraag zal voorlopig niet afnemen en daarmee zal ons afval ook blijven groeien. We moeten ons daarom blijven ontwikkelen in recyclen en urban mining en onze materialen langer gebruiken.’ Van der Voet kiest ervoor de toekomst met hoop tegemoet te treden. 'Het is ongetwijfeld lastig om circulariteit in de praktijk toe te passen, maar ik geloof erin. Daarom zullen wij de komende jaren doorgaan met het maken van scenario’s voor urban mining in Nederland. Denk aan de infrastructuur van de transport en gasleidingen. Die gasleidingen zijn extra interessant vanwege de doelstellingen om Nederland van het gas af te halen: al die materialen komen dan beschikbaar uit de urban mine.’ 

Bekijk de rapporten van het CML hier.

De Nederlandse circulaire economie

De rapporten van het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden zijn onderdeel van het Werkprogramma Monitoring en Sturing Circulaire Economie 2019-2023, een samenwerkingsverband van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het CML, het Centraal Planbureau (CPB), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), RVO.nl, Rijkswaterstaat, TNO en de Universiteit Utrecht (UU), onder leiding van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het kabinet streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Het doel van het werkprogramma is om de door het kabinet uitgezette koers naar 2050 te kunnen monitoren en te evalueren en de overheid hierover te adviseren.

Tekst: Bryce Benda

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.