Universiteit Leiden

nl en

Rekenen leren is een keuze

Pabostudenten leren even goed rekenen met een deductieve als een inductieve aanpak. Dat blijkt voor het eerst uit onderzoek van Mark van Houwelingen, docent rekenen aan de Pabo Hogeschool Rotterdam. ‘De keuze om te leren rekenen volgens een bepaalde methode zou moeten berusten op wetenschappelijk onderzoek’, bepleit Van Houwelingen. Promotie op 27 november.

Pabostudenten verzorgen zeer waarschijnlijk minder goed rekenonderwijs aan basisschoolleerlingen als ze niet goed genoeg kunnen rekenen, veronderstelde Van Houwelingen. De duaal promovendus onderzocht twee verschillende aanpakken om Pabostudenten te leren rekenen: een deductieve en inductieve. Hij keek daarbij naar de leerprestaties en de interactie tussen leerkracht en leerling. Voor beide didactische aanpakken heeft hij eerst een instructie ontwikkeld en vervolgens gekeken naar het effect bij Pabostudenten. Hij heeft ontdekt dat deze twee gebruikte aanpakken geen verschil gaven in rekenvaardigheid bij de studenten. Wel was er bij de inductieve aanpak meer interactie en stelden Pabodocenten meer stimulerende vragen. Dat turfde hij in videoverslagen van de lessen.

Deductieve versus inductieve aanpak

Bij de deductieve aanpak legt de docent bijvoorbeeld het concept oppervlakte uit en daarna de regel: de oppervlakte van een rechthoek bepaal je door de lengte te vermenigvuldigen met de breedte. Daarna berekenen studenten de oppervlakte  in verschillende contexten. Bij de inductieve variant vraagt de docent naar de oppervlakte van een chocoladereep met  twee rijtjes van vier vierkantjes, waarvan één zo’n vierkantje een vierkante centimeter groot is. Dan volgt de vraag naar de oppervlakte van andere repen, bijvoorbeeld van een reep van 3 bij 2,5 cm en van 2,4 bij 2,5 cm. Vervolgens krijgen de studenten de opdracht om voor het bepalen van de oppervlakte van een rechthoek de algemene regel te formuleren.

Interactie docent - student

De kwaliteit van het rekenonderwijs op de Pabo vraagt om onmiddellijke aandacht en actie, concludeerde de KNAW in een rapport (2009). ‘Uit dit rapport koos ik de interactie als een veelbelovende onderzoekmaat voor leerprestaties. Dat komt echter niet uit mijn onderzoek naar voren. Daar kun je dus vraagtekens bij plaatsen als leerkracht, zowel op de Pabo als in het basisonderwijs’, meent  Van Houwelingen. Hij doet een suggestie: ‘Je zou met het leerkrachtenteam in overleg kunnen gaan over de relatie tussen de didactische aanpak van de leerkrachten en de leerprestaties. En bijvoorbeeld bij minder goede leerprestaties aan de hand van vakliteratuur de didactische aanpak veranderen of aanscherpen.’ Om resultaat van meer interactie in de klas in de leerprestaties terug te kunnen zien, is vervolgonderzoek over een langere periode nodig, voegt hij eraan toe.

Wetenschappelijke onderbouwing

Kortom, Van Houwelingen verwacht van leerkrachten dat zij nadenken en reflecteren en hun bevindingen plaatsen naast wetenschappelijk  onderzoek. Die onderzoekvaardigheden hebben een plek op de Pabo’ s. Pabostudenten leren onder andere om stukken te schrijven die refereren aan wetenschappelijke literatuur. Met zijn recent verworven inzichten wil Van Houwelingen op zijn beurt anderen iets leren. Dankzij zijn eigen onderzoek is hij een betere onderzoeksbegeleider van zijn Pabostudenten geworden. Daarnaast zet hij zijn kennis in bij de ontwikkeling van een zogenoemde 'leerlijn' in het onderwijs aan Pabostudenten en helpt hij bij de ontwikkeling van een systeem voor beoordelen  en feedback geven bij tussentijdse evaluaties van studenten. 

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie