Universiteit Leiden

nl en

Hoe geloofsovertuiging de eerste Nederlandse grondwet bepaalde

Ruim tweehonderd jaar geleden vond in Nederland een ongekend democratisch experiment plaats: in twee referenda stemden Nederlandse burgers voor een grondwet met vooruitstrevende gelijkheidsidealen. Buitenpromovendus Jos de Jong bracht de stemuitslagen in kaart en concludeert dat geloofsovertuiging een doorslaggevende factor was. Promotie op 21 november.

Mensenrechten, burgerrechten en de vrijheid van godsdienst: deze en andere verheven idealen zijn de normaalste zaak van de wereld in vrije en democratische samenlevingen zoals Nederland anno 2018. Aan het eind van de achttiende eeuw was dit echter veel minder vanzelfsprekend. Toch werden soortgelijke rechten al in 1798 kortstondig verankerd in de Nederlandse grondwet.

Ongekend fenomeen

De Nederlandse bevolking stemde in 1797 en 1798 namelijk over een nieuwe grondwet in twee landelijke referenda, een ongekend fenomeen in een tijd waarin verharde wegen en huisnummers nog zeldzaam waren. Buitenpromovendus Jos de Jong dook in de archieven om de relatief onbekende ontstaansgeschiedenis van deze progressieve grondwet te beschrijven.

‘Wat opvalt is dat geloofsovertuiging en afkomst een doorslaggevende rol speelden in de uitslag,’ zegt De Jong. ‘In de verworpen stemming van 1797 stemden veel katholieken in Brabant tegen de nieuwe grondwet, omdat er zeer ongunstige maatregelen instonden. Zo zou Brabant opgesplitst worden, moesten Brabanders meebetalen aan de staatsschuld, en bleven protestantse predikanten betaald door de overheid.

Een jaar later stemden veel katholieken juist voor de nieuwe grondwet. De opstellers hadden in de tussentijd namelijk een troef toegevoegd aan de bepalingen: katholieken kregen de mogelijkheid hun dorpskerken weer in gebruik te nemen. De Jong: ‘Tot dan toe was het katholicisme een achtergestelde of zelfs verboden godsdienst die vaak in schuilkerken werd beleden. De toevoeging van deze bepaling heeft ongetwijfeld veel katholieken over de streep getrokken.’

Cliëntelisme

De Jong bracht de stemresultaten in kaart voor maar liefst 948 steden, dorpen en rurale gebieden, en kon zo – meer dan tweehonderd jaar na dato – alsnog als een geschiedkundige Maurice de Hond de uitslagen duiden. Overigens waren die referenda – hoe vooruitstrevend ook – zeker geen schoolvoorbeeld van democratische besluitvorming zoals we die vandaag de dag kennen. Vrouwen moesten nog meer dan honderd jaar wachten op stemrecht, en ook armen die een uitkering ontvingen mochten hun stem niet laten horen. De Jong ontdekte daarnaast aanwijzingen van cliëntelisme waarbij bedienden ‘verzocht’ werden om met hun baas mee te stemmen.

Het werd nog bonter nadat de Nederlandse bevolking de grondwet in 1797 aanvankelijk had afgewezen. Een jaar later moesten alle stemgerechtigden eerst een verklaring tekenen waarbij zij hun ‘onveranderlijken afkeer tegen het Stadhoudelyk Bestuur / het Foederalismus / de Aristocratie en Regeeringloosheid’ kenbaar maakten. Wie niet tekende, kreeg geen stembiljet. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de nieuwe grondwet uiteindelijk met haast dictatoriale cijfers werd aangenomen: maar liefst 92 procent stemde voor.

Stuurloos

De nieuwe Nederlandse grondwet ontstond in een periode waarin Europa een roerige tijd beleefde. Nog geen tien jaar eerder bestormden de Parijzenaars de Bastille terwijl ze schreeuwden om vrijheid, gelijkheid en broederschap. Toen de Fransen enkele jaren later Nederland bezetten, ging stadhouder Willem V bovendien in ballingschap in Engeland. Hij liet Nederland stuurloos achter.

Een ratjetoe aan kleine elites en oud-bestuurders nam het heft in eigen hand om een grondwet te smeden en aan het volk voor te leggen. Daarbij zetten ze de Staten-Generaal van de Zeven Provinciën zoveel mogelijk buitenspel. Het nationalisme was inmiddels in zwang, dus het was niet de bedoeling dat de provincies teveel eigen macht behielden.

Overigens was de grondwet geen lang leven beschoren. Al in 1801 wonnen de provincies weer aan macht ten koste van het gecentraliseerde staatsapparaat. Daarmee werd Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat. De grondwet was waarschijnlijk té vooruitstrevend, denkt De Jong. ‘Je kunt het enigszins vergelijken met Irak en Afghanistan na de Amerikaanse inval. De oude structuren hielden op te bestaan, en vervolgens introduceer je een fantastische nieuwe grondwet met allerlei vrijheden. Dat staat simpelweg te ver af van de mensen die in een land wonen dat verdeeld is in concurrerende geloofsrichtingen.’

Tekst: Merijn van Nuland
Mail de redactie

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie