Universiteit Leiden

nl en

Politicologen herdenken een eeuw algemeen kiesrecht in Nederland

Op 12 december 1917 werd in Nederland het algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarmee werd een belangrijke stap gezet in de richting van de representatieve democratie die wij nu kennen. In de bundel 'Alle stemmen tellen! Een eeuw algemeen kiesrecht', onder redactie van Rudy Andeweg (Universiteit Leiden) en Monique Leyenaar (Radboud Universiteit), blikken politicologen van verschillende Nederlandse universiteiten terug op de evolutie van ons kiesstelsel gedurende de afgelopen eeuw. Ook bekijken zij of en hoe de werking van onze democratie zou kunnen worden verbeterd.

Alle stemmen tellen!

Waarom stapte Nederland over van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht—in 1917 voor mannen vanaf 25 jaar; in 1919 ook voor vrouwen—ook al was dat niet direct in het belang van de zittende macht? In zijn bijdrage beschrijft Rudy Andeweg wat er vooraf ging aan de grondwetswijziging van 1917. Met die wijziging werd overigens ook de opkomsplicht ingevoerd. Dit onderwerp blijft actueel; anno 2017 klinkt vaak de oproep om de stemplicht opnieuw in te voeren. Joop van Holsteyn en Galen Irwin (Universiteit Leiden) zetten de voors en tegens op een rij.

Van verzuiling naar ‘antipolitiek’

De uitbreiding van het electoraat had ook gevolgen voor de organisatie van politieke partijen. Daarover schrijven Ruud Koole (Universiteit Leiden) en Gerrit Voerman (Rijksuniversiteit Groningen). Van de verzuiling tot het huidige ‘antipolitiek tijdperk’—partijen hebben zich steeds moeten (en kunnen) aanpassen.

Een ander gevolg van ‘1917’, al was het met enige vertraging, is de groei van de verzorgingsstaat, aldus Kees van Kersbergen (Universiteit van Aarhus, Denemarken) en Barbara Vis (Universiteit Utrecht). De politieke strijd tussen confessionelen en socialisten van nationale regeringsmacht speelde hierbij een grote rol.

Waarom naar de stembus?

Josje den Ridder en Paul Dekker (Sociaal Cultureel Planbureau; Universiteit Utrecht) bekijken waarom stemgerechtigden eigenlijk naar de stembus gaan, ook als zij geen politieke voorkeur kenbaar maken, maar blanco of ongeldig stemmen. En zij onderzoeken wat thuisblijvers ervan weerhoudt hun stemrecht uit te oefenen. Ook Wouter van der Brug en Philip van Praag (Universiteit van Amsterdam) analyseren het electoraat. Hun vraag is in hoeverre de partijvoorkeur van kiezers het partijenlandschap bepaalt en in hoeverre dat landschap is ‘bevroren’ dan wel (meer recentelijk) is ‘opengebroken’ door het wegkwijnen van oude partijen en de opkomst van nieuwe spelers.

Groote Nationale Betooging
Albert Hahn, 1910, Wikimedia Commons

Of de kandidaten van politieke partijen een afspiegeling vormen van de maatschappij die zij vertegenwoordigen, is de vraag die Armen Hakhverdian en Tom van der Meer (Universiteit van Amsterdam) opwerpen. De democratische spelregels zijn anno 2017 niet of nauwelijks discriminatoir als het gaat om geslacht, opleiding, sociaaleconomische klasse, regionale herkomst en migratieachtergrond. Maar hoe gaat het in de politieke praktijk? Wat doen politieke partijen om ervoor te zorgen dat zij ook in demografische zin staan voor hun achterban?

Tom Louwerse en Cynthia van Vonno (Universiteit Leiden) onderzoeken de verhouding tussen het parlement en de regering. Is er sprake van monisme, dualisme, of iets daartussenin?

Grenzen van het kiesrecht

Zelf onder algemeen kiesrecht is niet iedereen kiesgerechtigd. Kristof Jacobs (Radboud Universiteit) kijkt of de grenzen van het kiesrecht nog kunnen worden opgerekt. De minimumleeftijd is verlaagd (stapsgewijs teruggebracht tot 18 jaar), uitsluitingsgronden wegens een strafrechtelijke veroordeling zijn beperkt, wilsonbekwamen hebben inmiddels stemrecht, niet-Nederlanders kunnen naar de stembus (gemeenteraadsverkiezingen)—is het niet tijd om het stemmen voor Nederlanders in den vreemde te vergemakkelijken?

Burgerparticipatie

En als we dan toch naar de stembus gaan, zijn er dan niet meer smaken denkbaar dan alleen het stemmen op kandidaten voor Tweede Kamer of de gemeenteraad? Rudy Andeweg bespreekt het referendum en de gekozen minister-president en burgemeester. En ook andere vormen van burgerparticipatie komen aan bod in Alle stemmen tellen! Monique Leyenaar en Peter Castenmiller (PBLQ; Kiesraad) bepreken de pogingen om het probleem van ongelijke deelname aan vormen van burgerparticipatie aan te pakken. En zij gaan in op burgerjury’s, burgervisitaties en participatieve begrotingsprocessen.

Hans Vollaard (Universiteit Utrecht) analyseert of en in hoeverre de Europese Unie en het proces van gemeentelijke herindeling invloed uitoefenen op betrokkenheid van de burger, bestuurlijke slagvaardigheid en een gemeenschappelijke identiteit.

Jacques Thomassen, tot slot, behandelt twee interpretaties van de vertegenwoordigende democratie. De eerste heeft de directe democratie als ideaalbeeld; onze electorale democratie zou dat zo dicht mogelijk moeten benaderen en de wil van de meerderheid zo onverdund mogelijk omzetten in beleid. In de tweede is de vertegenwoordigende, indirecte democratie juist een superieur model, waarin de wensen van groepen burgers worden gewogen en gefilterd, met allerhande institutionele checks and balances om ook de rechten en opvattingen van de minderheid te beschermen. Veel discussies over het wel of niet functioneren van het Nederlandse politieke bestel draaien om de tegenstelling tussen deze twee interpretaties.

De bundel Alle stemmen tellen! wordt op 14 december 2017 overhandigd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Kajsa Ollongren. Haar ministerie droeg ook bij aan de totstandkoming van de publicatie.

Rudy B. Andeweg & Monique Leyenaar (red.), Alle stemmen tellen! Een eeuw algemeen kiesrecht (Amsterdam University Press, 2017)

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie