Universiteit Leiden

nl en
Universität Tübingen

Van sabeltandtijger tot prehistorische werpstok

Al 25 jaar lang gaan Leidse archeologiestudenten naar de Duitse plaats Schöningen voor opgravingen in een bruinkoolgroeve. Elk jaar komen daar bijzondere objecten van zo’n 300.000 jaar oud boven de grond. Met hoogleraar Thijs van Kolfschoten blikken we terug aan de hand van vier bijzondere vondsten.

Werpstok – gevonden in 1994

‘Het bijzondere van deze werpstok is dat deze duidelijk maakte dat de groeve in Schöningen echt een belangrijke archeologische vindplaats is.’ Twee jaar eerder, in 1992, was Van Kolfschoten al door zijn Duitse collega Hartmut Thieme betrokken bij de opgravingen in Schöningen. ‘Thieme vond heel veel werktuigen, dat was zijn expertise. Maar voor de vele botten van zoogdieren schakelde hij mij in.’ Tot de vondst van de werpstok was er meestal weinig tijd om een bepaald deel van de groeve te onderzoeken, voordat de graafmachine weer langskwam om de volgende laag bruinkool af te graven. ‘Maar met de werpstok als bewijs dat er echt kostbare archeologische schatten in de bodem te vinden waren, kon met de uitbaters van de bruinkoolgroeve afgesproken worden dat zij in ieder geval dat deel langere tijd ongemoeid zouden laten. De vondst van de werpstok symboliseert het moment dat we wisten dat Schöningen wel eens een zeer waardevolle vindplaats zou kunnen zijn.’

Houten speren – gevonden in 1995

Een jaar na de vondst van de werpstok was het weer raak. Hartmut Thieme en zijn team ontdekten verschillende houten speren die tussen tientallen botfragmenten lagen. ‘De speren zijn heel bijzonder, ze zijn aangepunt over een lengte van ongeveer zestig centimeter. Dat is dus met heel veel precisie gedaan. Hierdoor heeft de speer een enorm goede balans: uit werptesten bleek dat de prehistorische speren net zo gebalanceerd zijn als de speren die vrouwelijke atleten gebruiken tijdens de Olympische Spelen!’ De speren bleken ook nog eens gemaakt van een houtsoort die niet in de nabijheid van Schöningen voorkwam. ‘Ze zijn gemaakt van sparrenboompjes die hoog in de bergen groeiden. De neanderthalers zijn dus speciaal de bergen in gegaan om hout voor hun speren te halen. Ook blijkt de scherpe punt net naast het midden van de boom te zijn geslepen: het midden van een boom is veel zachter dan de lagen eromheen, dus zo zorgden ze er voor dat de punt niet snel af zou breken.’ Ingenieus vervaardigde werktuigen dus. ‘Maar het gekke is: deze speren vertonen geen sporen van gebruik! Dus zitten we nog met de vraag: hoe zijn ze in Schöningen terecht gekomen, en wat doen die dierenbotten er omheen? Want die dieren zijn in ieder geval niet door deze speren gedood…’

Dierenbotten met lange krassen – gevonden in verschillende jaren

‘Natuurlijk komt een bot bijna nooit puntgaaf uit de grond. Maar enige tijd geleden ontdekten we heel veel botten, afkomstig van onder meer paarden en bizons, met heel lange krassen erop,’ vertelt Van Kolfschoten. De krassen lopen in de lengterichting van de botten, zoals te zien is op het  bizonbot op de foto. ‘Toen we het oppervlak van de botten onder de microscoop bekeken, zagen we dat er bij vele botten allemaal kleine stukjes vuursteen in het bot zaten. Wat bleek: deze botten werden door de voorlopers van de neanderthalers gebruikt om hun vuurstenen gereedschap aan te scherpen.’ Dat botten hiervoor werden gebruikt, was geen nieuwe ontdekking. ‘Maar de botten die we in Schöningen vonden, zijn 300.000 jaar oud. En we wisten nog niet dat pre-neanderthalers toen al hun gereedschappen bewerkten met botten, we hadden alleen bewijs van later in de geschiedenis.’

Schedel van een sabeltandtijger – gevonden in 2015

Van Kolfschoten gaat sinds 1992 elk jaar met een groep studenten naar Schöningen, om daar twee weken te graven en fossielen te verzamelen. Dat levert minstens een jaar werk aan onderzoeksmateriaal op. Maar gedurende de rest van het jaar wordt er opgegraven door een zestal opgravers. ‘Zij analyseren hun vondsten niet, maar graven gewoon het hele jaar door en slaan alles op.’ In 2016 vroeg Van Kolfschoten aan de gravers of ze dat jaar nog iets leuks hadden gevonden. Wel wat botten waarvan ze niet precies wisten wat het was, en die ze dus maar in een doos in de kast hadden gezet. ‘Mijn collega André Ramcharan, die al jaren deel neemt aan de Leidse Schöningen-opgravingen, maakte het doosje open en zagen al snel dat het om delen van een schedel van een katachtige ging.’ En niet zomaar een katachtige: het bleek de schedel van een sabeltandtijger. ‘Een geweldige vondst, niet alleen door de mythische status van dit dier. Maar de schedel laat ook zien dat er 300.000 jaar geleden nog sabeltandtijgers waren in Europa, terwijl eerst werd gedacht dat deze 500.000 jaar geleden al waren uitgestorven in dit gebied.’

foto's: Thijs van Kolfschoten/Universiteit Leiden

25 jaar opgravingen in Schöningen

Al 25 jaar lang gaan Leidse studenten archeologie naar Schöningen om opgravingen te doen. Op 20 september wordt in Leiden stilgestaan bij dit jubileum. Aan de vooravond van het internationale archeologische congres van de European Society for the study of Human Evolution (ESHE) wordt een mini-symposium georganiseerd over de opgravingen in de Duitse plaats. Hoogleraar Thijs van Kolfschoten is sinds het begin bij de opgravingen betrokken, en ontving daarvoor recent een oorkonde als Anerkennung und Dank für 25 Jahre wissenschaftliche Arbeit am archäologischen Fundcomplex Schöningen uit handen van de burgemeester. Van Kolfschoten werkt ook aan een fotoboek over de 25 jaar opgravingswerk, waarin er veel aandacht is voor de ‘gravers’, de groep die het hele jaar door materiaal opgraven – enkelen van hen ook al bijna 25 jaar lang.