Universiteit Leiden

nl en

Koorddansen op de Middellandse Zee

Voor de kust van Libië proberen verschillende hulporganisaties bootvluchtelingen te redden die de Middellandse Zee oversteken. De inbeslagname van één van de reddingsschepen laat zien hoe belangrijk het is voor hulporganisaties om neutraal, onafhankelijk en onpartijdig te blijven, zegt Eugenio Cusumano.

Het ‘bevorderen van clandestiene immigratie’. Met die aanklacht namen de Italiaanse autoriteiten op 2 augustus de Iuventia in beslag, een schip van de Duitse hulporganisatie Jugend Rettet. De hulpverleners zouden afspraken hebben gemaakt met mensensmokkelaars over het aan boord nemen van migranten. De hulporganisatie zelf ontkent die aantijgingen, maar de boot blijft voorlopig aan de ketting liggen op het Italiaanse eiland Lampedusa.

‘Het is tekenend voor de moeizame verhoudingen tussen humanitaire organisaties en overheden,’ zegt Eugenio Cusumano, universitair docent Internationale betrekkingen en Europese studies. Hij doet onderzoek naar de niet-gouvernementele reddingsacties op de Middellandse Zee. ‘Het is erg moeilijk voor ze om neutraal, onafhankelijk en onpartijdig te werk te gaan. Bovendien heeft het werk van de organisaties ongewenste neveneffecten waar zij niet op zijn berekend.’

NGO’s steeds belangrijker

Er opereren momenteel tien hulporganisaties voor de kust van Libië, waaronder dus Jugend Rettet. Uit onderzoek van Cusumano blijkt dat die niet-gouvernementele organisaties een steeds belangrijker aandeel hebben in de reddingen op de Middellandse Zee. Werd in 2015 nog zo’n dertien procent van de migranten door NGO’s opgepikt, in 2016 was dat als zo’n 26 procent. In de eerste helft van dit jaar liep dat percentage zelfs op naar 38 procent.

Veel NGO’s kwamen in actie omdat ze vonden dat overheden tekort schoten: de afgelopen jaren stierven er ieder jaar enkele duizenden migranten bij de overtocht over de Middellandse Zee. Cusumano: ‘Maar juist door zelf in actie te komen, geven de organisaties overheden een excuus om dat niet te doen. Er is immers al iemand die voor de migranten zorgt. Op die manier kunnen overheden hun morele en juridische plichten als het ware uitbesteden.’

Neutraliteit als zelfbescherming

De Italiaanse overheid probeert nu paal en perk te stellen aan deze reddingsoperaties. Alle reddingsschepen brengen de migranten immers in Italië aan wal, en dat land krijgt ieder jaar al een onevenredig aantal vluchtelingen te verwerken. Als tegenmaatregel stelde de Italiaanse overheid onlangs een gedragscode in voor hulporganisaties. Daarin staat onder meer dat er voortaan Italiaanse politieagenten mogen meevaren, en dat de organisaties bewijsmateriaal zoals buitenboordmotoren in beslag moet nemen.

De meeste hulporganisaties weigerden deze code te ondertekenen. En dat is logisch, meent Cusumano, die zelf op Sicilië opgroeide. ‘Italiaanse ambtenaren begrijpen niet dat neutraliteit het enige is dat deze hulporganisaties beschermt. Zodra de hulporganisaties Italiaanse agenten aan boord laten, zullen migranten of mensensmokkelaars de schepen zien als een verlengstuk van de overheid. En als zij buitenboordmotoren in beslag nemen, riskeren ze zelfs een overval. Die motoren zijn in Libië immers veel geld waard.’ Andersom kunnen de organisaties strafrechtelijk worden vervolgd als zij niet voldoende meewerken aan de strijd tegen mensensmokkel, of de verdenking op zich laden dat zij zelfs actief met deze mensensmokkelaars samenwerken. Dat zal het geval zijn als de aanklacht tegen Jugend Rettet terecht blijkt. En het zal ongetwijfeld een flinke klap zijn voor de reddingsoperaties als geheel.

Koorddansen

Zelfs het identificeren van mensensmokkelaars is een taak die humanitaire organisaties volgens Cusumano niet zonder risico kunnen uitvoeren. Het is bijvoorbeeld lastig vast te stellen of de bestuurder van een rubberboot daadwerkelijk een smokkelaar is, of dat het gaat om een ‘gewone’ migrant die geld krijgt om de boot te besturen. ‘De belangrijkste smokkelaars blijven is Libië, de big fish vang je bijna nooit in internationale wateren. Vraag je een hulporganisatie toch om smokkelaars aan te wijzen, dan maak je daarmee inbreuk op hun principe van onpartijdigheid. Je belandt al gauw in een moreel grijs gebied.’

Critici menen dat de aanwezigheid van hulporganisaties een aanzuigende werking heeft op het aantal migranten dat de oversteek waagt. Cusumano vond echter geen statistisch verband tussen de aanwezigheid van reddingsschepen en het aantal migranten op de betreffende locaties. Wel merkt hij dat de vluchtelingenboten minder zeewaardig worden, deels omdat smokkelaars er vanuit gaan dat hulporganisaties de migranten toch wel oppikken. Zo blijven hulporganisaties permanent koorddansen tussen hun basisprincipes en ongewenste neveneffecten.