Universiteit Leiden

nl en

3 October University: Jeugdige verdachten voor de rechter

Jurist en criminoloog Yannick van den Brink vertelt op de 3 October University hoe rechters omgaan met jeugdige delinquenten. Daarbij gaat hij in het bijzonder in op de voorlopige hechtenis. Wie is Yannick van den Brink?

Van den Brink is nog jong (29) maar werd al vroeg een specialist op het gebied van jeugd(straf)recht. Het begon met zijn scripties voor de Utrechtse masters Strafrecht en Global Criminology, over jongeren die strafrechtelijk over de schreef gaan. Al tijdens zijn studie, geplaveid met cum laudes, was hij actief op het vakgebied: in Utrecht als junior docent en in Leiden als onderzoeksassistent.

Dynamisch vakgebied

Van den Brink beschouwt het als een voorrecht om zich in Leiden verder te kunnen specialiseren in het jeugd(straf)recht: ‘Het jeugdrecht is volop in ontwikkeling en raakt aan belangrijke maatschappelijke kwesties. In het jeugdrecht komen verschillende rechtsgebieden samen, zoals het civiele recht, bestuursrecht, strafrecht en internationale recht. Dit maakt het een boeiend en dynamisch vakgebied.’

Leids expertisecentrum voor jeugdrecht

Na zijn studie kreeg Van den Brink een promotieplaats bij de afdeling Jeugdrecht van de Leidse rechtenfaculteit. Het proefschrift is ingeleverd en goedgekeurd, de promotie zelf, over voorlopige hechtenis bij jongeren, staat voor dit jaar op de rol. Maar inmiddels heeft hij al een aanstelling als universitair docent op zak, in het jeugdrecht natuurlijk. In die functie is hij coördinator van de eerste en enige master Jeugdrecht in Nederland. Die bestaat dit jaar vijf jaar en is erg populair bij studenten. Daarnaast geeft hij les in de Engelstalige advanced masteropleiding International Children’s Rights, een unieke opleiding die internationale studenten opleidt tot kinderrechtenexperts. ‘Voor onderwijs en onderzoek op het gebied van jeugdrecht en kinderrechten moet je echt in Leiden zijn. Het is mooi om daar deel van uit te maken’.

Verreweg de meeste jongeren krijgen een taakstraf (zie kader).

Jeugdstrafrecht

Van den Brink houdt zich vooral bezig met het jeugdstrafrecht, waarin dillema’s besloten liggen die specifiek zijn voor de jeugdige leeftijdsgroep. ‘Bijvoorbeeld of je jeugdigen gezien hun leeftijd verantwoordelijk kunt houden voor hun gedrag. Ook heeft het jeugdstrafrecht een pedagogisch element dat in het volwassenenstrafrecht minder sterk aanwezig is: welke aanpak geeft de beste kans dat de jeugdige zich positief ontwikkelt en wegblijft van het verkeerde pad? Tegelijkertijd hebben jeugdigen in het strafrecht ook gewoon rechten, zoals het zwijgrecht en het recht om voor onschuldig te worden gehouden zolang er nog geen veroordeling is. Deze rechten kunnen soms echter botsen met wat vanuit pedagogisch oogpunt de meest effectieve aanpak wordt gevonden. Dergelijke dillema’s maken het jeugdstrafrecht erg interessant.’

Voorlopige hechtenis

Voor zijn promotieonderzoek bekeek Van den Brink hoe rechters omgaan met voorlopige hechtenis voor jeugdigen. Voorlopige hechtenis behelst het vastzetten van een verdachte vóór de rechtszaak. Dat kan alleen als sprake is van een stevige verdenking van een ernstig delict en als daar gegronde redenen voor zijn. Bijvoorbeeld vluchtgevaar of een gerede kans dat iemand meteen weer in de fout gaat. Maar is vastzetten de beste optie voor een jongere als die nog naar school gaat of een baan heeft? Van den Brink vertelt erover in zijn lezing. En het blijkt dat de ene rechter het anders doet dan de andere.

Opsluiten de beste optie?

Ook in de straftoemeting speelt de overweging mee of het wel verstandig is jongeren op te sluiten. Opsluiting van jeugdigen in het strafrecht vindt doorgaans plaats in een justitiële jeugdinrichting. ‘Het is de vraag of de hoge hekken en stalen deuren van deze inrichtingen voor al deze jeugdigen nodig zijn ’, aldus Van den Brink. ‘Er wordt momenteel in verschillende steden geëxperimenteerd met kleinschalige voorzieningen, waarin jeugdigen dicht bij hun eigen leefomgeving kunnen worden ondergebracht. Daar kan het beveiligingsniveau op de individuele jeugdige worden afgestemd  en kunnen de jongeren overdag naar hun eigen school blijven gaan. Hierdoor kan meer maatwerk worden geleverd, waarvan uiteindelijk zowel de jeugdigen als de maatschappij moeten gaan profiteren.’

Meer weten over de ins en outs van het jeugd(straf)recht en de afwegingen die rechters maken? Van den Brink vertelt het op de 3 October University.

Zie ook: Historische 3 Octoberlezing over Francisco de Valdéz op 24 september door Leids historicus Ramon Fagel

(CH)

Over wie hebben we het eigenlijk?

Het jeugdstrafrecht geldt in principe voor jeugdigen van 12 tot 18 jaar. Kinderen tot 12 jaar worden niet strafrechtelijk vervolgd.  De bovenste leeftijdsgrens is echter flexibel. Zo is het mogelijk om jeugdigen van 16 tot 18 jaar volgens het volwassenenstrafrecht te sanctioneren en jeugdigen van 18 tot 23 jaar volgens het jeugdstrafrecht. Dit laatste kan als het ontwikkelingsniveau van de dader daartoe aanleiding geeft.

De jeugdcriminaliteit laat sinds 2007 een dalende trend zien. Hoe dat komt is niet duidelijk. De afname kan feitelijk minder zijn aangezien het opsporen en vervolgen van internetcriminaliteit nog in de kinderschoenen staat. Het aantal afgedane misdrijfzaken tegen minderjarigen daalde  tussen 2007 en 2015 met iets minder dan de helft tot 5.500. De meest voorkomende aanklacht betreft een vermogensdelict, bijvoorbeeld diefstal. In 2015 kwamen 920 minderjarigen in de gevangenis terecht. In het merendeel van de gevallen wordt een taakstraf opgelegd. De piek van de (jeugd)criminaliteit is ligt bij de groep de jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar. 19-jarigen staan het vaakst voor de rechter.

Verdachten kunnen, na te zijn gearresteerd en opgehouden voor verhoor over een zwaar misdrijf, maximaal twee maal drie dagen door de officier van justitie worden vastgehouden op het politiebureau (‘inverzekeringstelling’). Vervolgens kan de rechter-commissaris op aangeven van de officier van justitie veertien dagen opsluiting opleggen (‘inbewaringstelling’). Dat is de eerste fase van de voorlopige hechtenis en wordt bij jeugdigen doorgaans ten uitvoer gelegd in een justitiële jeugdinrichting. Aan het einde van de inbewaringstelling, kan de rechtbank beslissen om de jeugdige nog eens maximaal negentig dagen vast te houden (‘gevangenhouding’). Binnen die termijn dient de (eerste) zitting bij de rechtbank plaats te vinden. In 2016 hebben 1.243 jeugdigen in voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting gezeten.