Universiteit Leiden

nl en

Op zoek naar gerechtigheid voor Syrië

Islamitische Staat verliest weliswaar snel terrein, maar de Syrische president Assad zit des te steviger in het zadel. In zijn martelkelders en op het slagveld vinden talloze misdaden plaats. Zullen deze misdaden ooit worden berecht, bijvoorbeeld voor het Internationaal Strafhof?

Het is een cruciale scène in de documentaire Syria’s disappeared. Een Syrische vluchteling in Nederland vertelt over de verschrikkelijke martelingen die hij onderging in een gevangenis van president Assad. Je ziet de pijn in zijn gezicht als hij zijn herinneringen oplepelt, en vervolgens de tranen. Maar in zijn hart is geen ruimte voor gewapende wraak, blijkt als de interviewer vraagt wat er met zijn beulen moet gebeuren. ‘Ik zal niet rusten tot de daders in de rechtbank staan.’

Maar hoe groot is de kans dat er daadwerkelijk gerechtigheid komt in Syrië? En is het mogelijk om de daders te berechten voor een internationaal tribunaal? Daarover discussieerde op 14 juli een panel onder leiding van Carsten Stahn, hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Universiteit Leiden. De discussie vond plaats in het kader van de Human Rights and Transitional Justice Summer School, georganiseerd door het Grotius Centre. Tientallen studenten uit binnen- en buitenland namen van 10 tot 15 juli deel aan die zomercursus.

Internationaal Strafhof

Uit het openingswoord van Stahn bleek wel hoe ongelooflijk lastig het zal zijn om de daders te berechten. Het Internationaal Strafhof in Den Haag kan bijvoorbeeld enkel daders berechten uit landen die zich hebben aangesloten bij het hof. Syrië heeft dat nooit gedaan, dus is de kans klein dat Syrische burgers zich in Den Haag moeten verantwoorden. Ook de Syrische president Assad ontspringt daardoor de dans.

Het weinige dat wel gedaan kan worden, is het verzamelen van bewijzen van mensenrechtenschendingen in de hoop dat het later alsnog mogelijk wordt om de daders te berechten. Want bewijs is er genoeg. Eind 2016 richtten de Verenigde Naties daarom het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM) voor Syrië op. Dit is een databank waarin bewijsmateriaal wordt verzameld over het conflict in Syrië. Dat bewijsmateriaal komt bijvoorbeeld van Syrische mensenrechtenorganisaties die het geweld al jarenlang zo nauwkeurig mogelijk monitoren.

Geweld registreren

Eén van die organisaties is The Violations Documentation Centre in Syria (VDC), waarvan de Leidse alumnus Husam Alkatlaby sinds 2015 voorzitter is. Hij weet als geen ander wat het is om te leven onder een repressief regime. Zijn voorganger werd in 2013 gearresteerd en er is sindsdien niets meer van hem vernomen. Ondanks de constante dreiging blijft Alkatlabys organisatie foto’s van en documenten over oorlogsmisdaden verzamelen en naar het buitenland sturen. Inmiddels stuurt hij zijn informatie naar het IIIM.

‘Dankzij het IIIM kunnen we eindelijk focussen op wat we wél kunnen doen om gerechtigheid in Syrië te bespoedigen,’ zegt Wieteke Theeuwen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Daarbij is onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het grootste belang. Het IIIM verzamelt bewijs van misdaden door alle strijdende partijen. Of het nu door het Syrische leger is of door Islamitische Staat en andere rebellengroepen.’

Opstartproblemen

Hoe belangrijk gerechtigheid ook is voor de deelnemers aan het panel en de summer school, de internationale gemeenschap staat nog niet bepaald te springen om daaraan bij te dragen. Zo is het IIIM zeven maanden na de oprichting nog steeds niet volledig gefinancierd. Verschillende Europese landen hebben elk een miljoen euro bijgedragen, maar de startbegroting van dertig miljoen is nog niet rond. Gênant, vindt Lotte Leicht, directeur van de Europese afdeling van Human Rights Watch. ‘En dan hebben we het nog niet eens over de structurele financiering voor de komende jaren,’ zegt Theeuwen.

Heel langzaam zet een deel van de internationale gemeenschap zo de eerste voorzichtige stappen om de daders van martelingen, chemische aanvallen en standrechtelijke executies te berechten. Tegelijkertijd is het overduidelijk dat dit niet op korte termijn zal gebeuren, en er ongetwijfeld nog veel doden vallen voordat de eerste misdadiger zich moet melden. ‘Zoals gebruikelijk loopt het recht achter de feiten aan,’ verzucht Stahn. Tot die tijd blijven Alkatlaby en zijn collega’s onvermoeibaar de gruweldaden documenteren.