Universiteit Leiden

nl en

Proving discriminatory violence at the European Court of Human Rights

Op dinsdag 23 mei 2017 verdedigt Jasmina Mackic haar proefschrift ‘Proving discriminatory violence at the European Court of Human Rights’. De verdediging begint om 15.00 uur, in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden, Rapenburg 73. De promotor is vice-decaan en hoogleraar internationaal publiekrecht Larissa van den Herik. Hieronder volgt een korte samenvatting van haar proefschrift.

Jasmina Mackic

Prominente Europese instellingen en organisaties rapporteren regelmatig over discriminatoir geweld, waarbij de slachtoffers zijn uitgekozen vanwege hun huidskleur, het toebehoren tot een nationale minderheid, godsdienst of seksuele geaardheid, in verschillende Europese staten. Zo wordt Rusland momenteel aangespoord om snel, effectief en grondig beschuldigingen van mishandelingen, ontvoeringen en moorden te onderzoeken die beweerdelijk in Tsjetsjenië zijn begaan jegens mannen waarvan wordt gedacht dat zij homoseksueel zijn en ervoor te zorgen dat een ieder die schuldig wordt bevonden of medeplichtig wordt geacht te zijn aan deze misdaden voor een rechter wordt gebracht. Een ander voorbeeld betreft informatie over geweld tegen asielzoekers en migranten in de hele Europese Unie.

Dit proefschrift onderzoekt hoe een fundamentele Europese instelling, namelijk het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), het fenomeen ‘discriminatoir geweld’ benadert. Meer specifiek behandelt dit proefschrift de vraag of het kader van bewijsregels dat wordt gehanteerd door het EHRM in zaken van discriminatoir geweld adequaat is. Waar dit niet het geval is, doet het aanbevelingen voor alternatieve bewijsregels die beter aansluiten bij een regionaal mensenrechten hof.

Om tot een antwoord op de onderzoeksvraag te komen, analyseert deze studie drie bouwelementen binnen het bewijsrechtelijk kader dat het Hof inzet in zaken van discriminatoir geweld. Ten eerste gaat het na of de bewijsstandaard ‘buiten redelijke twijfel’ die het Hof toepast in zaken van discriminatoir geweld en obstakel vormt bij het vaststellen of discriminatoir geweld is begaan. Ten tweede gaat het in op de omstandigheden waaronder de bewijslast verschuift van de klager naar de lidstaat in zaken van discriminatoir geweld. Ten derde onderzoekt deze studie het bewijsmateriaal aan de hand waarvan discriminatoir geweld kan worden vastgesteld.