Universiteit Leiden

nl en

Joost Westerweel levert bijdrage aan Staatsrechtconferentie 2016

Op 16 december 2016 vond aan de Universiteit Twente de jaarlijkse staatsrechtconferentie plaats, met dit jaar als thema constitutionele mogelijkheden en beperkingen voor experimenteel handelen en experimentele wetgeving.

Wet- en regelgevers staan onder toenemende druk om mogelijkheden te scheppen voor experimenteren met maatschappelijke en technologische innovaties, zoals bij alternatieve publieke of publiek-private besluitvorming, het omgaan met persoonsgegevens/‘big data’, vernieuwing in onderwijs en zorg, de inrichting van ‘smart energy grids’, en de introductie van zelfrijdende auto’s, drones, of microchip implantatie. Wetgeving moet ‘toekomstbestendig’ worden door juridische ruimte te bieden voor het beproeven van innovatieve praktijken op basis van private, publieke en publiek-private initiatieven. Maar, hoeveel ruimte is rechtstatelijk beschouwd nog aanvaardbaar, zoals met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, zeggenschap en de bescherming van fundamentele rechten, en hoe kan deze ruimte het best worden gebruikt, dat wil zeggen: in een goede balans tussen effectief en legitiem?

Samen met Frank van Tienen, advocaat bij de sectie bestuursrecht van Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn, leverde Joost Westerweel, promovendus bij de afdeling Staats- en bestuursrecht, een bijdrage aan de hand van hun artikel ‘Experimenteerruimte bij gemeentelijke referenda: onbegrensd?’ Hoewel landelijke referenda nog steeds een zeldzaamheid zijn in Nederland, wordt er op lokaal niveau veelvuldig gebruik gemaakt van dit instrument van de directe democratie. In het artikel onderzoeken de auteurs in de eerste plaats welke experimenteerruimte gemeenten hebben bij het vaststellen van referendumverordeningen en het uitschrijven van referenda. Vervolgens gaan zij in op de vraag of het wenselijk is dat gemeenten zoveel mogelijk gebruikmaken van deze vrijheid of dat er vanuit democratisch en rechtsstatelijk perspectief bezwaren kunnen zijn tegen een bepaalde inrichting van lokale referenda. De tweede vraag beantwoorden zij aan de hand van een analyse van de gemeentelijke referendumpraktijk, waaruit in het bijzonder drie democratische en drie rechtsstatelijke aspecten naar voren komen. Dat zijn de aspecten van zinvolle en inhoudelijke deliberatie, minderhedenbescherming en de rol van belangengroeperingen, respectievelijk het lastverbod en zelfbinding, de inperking van de vrijheid van de gemeenteraad om een referendumverzoek af te wijzen en bovenlokale belangen en bevoegdheden. Het artikel zal als bijdrage verschijnen in de bundel van de Staatsrechtconferentie 2016 in de loop van 2017.