Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Promoveren na je 70e

Toen neerlandica Anneke Boot (70) met pensioen ging, keerde ze terug naar de universiteit. Eerst haalde ze haar propedeuse geschiedenis, nu doet ze zelfs promotie-onderzoek. Waarom en hoe gaat het? ‘Ik heb mijn beleidsproza moeten afleren.’

Na ruim veertig jaar keerde u terug naar de universiteit. Wat valt op?

‘Volgens mij is het onderwijs beter geworden. Destijds hoefde ik bij Nederlands in het eerste jaar geen werkstuk in te leveren en ik leerde weinig onderzoeksvaardigheden. Wel ging ik later tijdens mijn studie op dialectonderzoek in Borne. (Zie zwartwitfoto: Anneke, middelste van het drietal, met medestudenten en rechts docent Cor van Bree, red.). Bij geschiedenis moest ik in mijn eerste jaar voortdurend opdrachten inleveren. Er is nu veel meer interactie met de docent terwijl de hoogleraar in de jaren ’60 op een voetstuk stond en voornamelijk zelf aan het woord was.

'Mondelinge tentamens legde je vaak af bij de hoogleraar thuis, waar je dan een kopje thee kreeg van zijn vrouw. Zo tentamen afleggen was toen heel gewoon, maar niet meteen een ambiance om open te kunnen praten. De Leidse universiteit was in de jaren ’60 niet zo vooruitstrevend als bijvoorbeeld die van Amsterdam. Ik heb nog wel meegedaan aan de paar protesten hier voor meer inspraak.’ 

Anneke Boot

U studeerde Nederlands. Hoe is uw carrière daarna gelopen?

‘Onderwijs is altijd de rode draad geweest in mijn carrière. Ik ging Nederlands studeren omdat ik graag docent wilde worden. Het leerproces vind ik fascinerend. Dat leerlingen in eerste instantie iets nog niet weten en dat ze het na jouw les opeens snappen. Of nog even niet en dat ik dan een andere strategie moet bedenken die wel slaagt. Bijna negen jaar werkte ik als docent Nederlands op een middelbare school. Toen wilde ik iets nieuws gaan doen en werd ik beleidsambtenaar op het ministerie van Onderwijs.’

Hoe blikt u daar op terug?

‘Het was dankbaar werk omdat ik al die tijd nog een groot netwerk onder docenten had en dus wist hoe beleid uitpakt in de praktijk. Een bijzondere opdracht was bijvoorbeeld de Canon van Nederland, waarin het verhaal van Nederland verteld wordt aan de hand van vijftig thema's. Ik was de schakel tussen de canoncommissie met de historisch letterkundige Frits van Oostrom als voorzitter en het ministerie. De canon bracht veel teweeg. Er kwamen ongelooflijk veel reacties. Sommige critici wilden een andere invulling. Maar de docenten van de basisschool waren er blij mee. Want zij hadden behoefte aan een duidelijk overzicht.’

Waarom wilde u onderzoek doen?

‘Als ambtenaar had ik veel te maken met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, die onder andere onderzoek doet naar het beroepsonderwijs wereldwijd. Het was een eyeopener toen ik erachter kwam dat het beroepsonderwijs in Nederland helemaal niet zo goed onderzocht is. Terwijl de maatschappij goede vakmensen juist heel hard nodig heeft. Er lichtte bij mij een vlammetje op en ik wilde het onderwerp verder uitzoeken na mijn pensioen.’

Hoe pakte u dat aan?

‘Ik had wel koudwatervrees. Daarom ging ik op mijn 65e eerst mijn propedeuse geschiedenis doen, om te zien wat historisch onderzoek eigenlijk was. Dat ging goed waardoor ik genoeg zelfvertrouwen kreeg. Het was een leuke ervaring om op die leeftijd met 18-jarigen om te gaan. Ik ben van dezelfde generatie als hun opa’s en oma’s, maar ze lieten me toe in hun wereld en ik kon altijd wel een praatje maken bij de koffieautomaat. Wel moest ik ervoor zorgen dat ik tijdens de colleges niet teveel aan het woord was. Ik had in sommige opzichten een kennisvoorsprong, maar het zou storend zijn als ik dat iedere keer liet blijken.’

U bent nu vier jaar met uw proefschrift bezig. Hoe gaat het?

‘Ik onderzoek de geschiedenis van het vakonderwijs met de stad Leiden als casus. Universiteitshistoricus Willem Otterspeer is mijn promotor en ik leer veel van hem. Inhoudelijk, maar ook hoe hij schrijft. Ik heb mijn ambtenarenbeleidsproza echt moeten afleren. Gelukkig heb ik ook veel aan het Dual PhD Centre. Dat helpt buitenpromovendi zoals ik en ik kan daar altijd terecht voor ondersteuning.

‘Het gaat dus goed, maar ik loop ook wel tegen dingen aan. Ik ben altijd op zoek naar de juiste balans tussen onderzoek doen, genieten van mijn pensioen en zorgen voor mensen in mijn omgeving die dat nodig hebben. Wanneer het onderzoek af is? Dat is altijd de moeilijkste vraag voor een promovendus, die ik dan ook nu nog even geheim houd.’

(LvP)