Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Verdediging proefschrift 'De relativiteit van wettelijke normen' door Wouter den Hollander

Op woensdag 22 juni 2016 verdedigt Wouter den Hollander zijn proefschrift 'De relativiteit van wettelijke normen'. De verdediging begint om 16.15 uur, in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden, Rapenburg 73. Promotor is prof. mr. A.G. Castermans.

Aansprakelijkheidsrecht en het relativiteitsvereiste

Het proefschrift van Den Hollander gaat over een onderdeel van het aansprakelijkheidsrecht: het zogeheten relativiteitsvereiste. Den Hollander: "Het Nederlands aansprakelijkheidsrecht werkt zo dat het niet genoeg is dat iemand een fout maakt – onrechtmatig handelt – en een ander daardoor schade lijdt. Wil de rechter iemand tot schadevergoeding kunnen veroordelen, dan moet er aan nog een vereiste zijn voldaan: het relativiteitsvereiste".

Dit relativiteitsvereiste houdt in dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Dat staat in artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek. "Het komt erop neer dat de rechter zich moet afvragen wat het doel is van een wet", aldus Den Hollander. "Is die wet bedoeld om schadevergoeding mogelijk te maken, als die wet wordt overtreden?"

Omstreden uitspraken

Dat levert omstreden uitspraken op, op verschillende terreinen, van het vreemdelingenrecht tot de binnenvaart of de wapenwetgeving. De rechter krijgt de ene keer het verwijt dat hij op de stoel van de wetgever is gaan zitten, de andere keer dat hij de mogelijkheden die hij heeft om de wet uit te leggen, onbenut laat.

Een bekend voorbeeld is de zaak van de Alphense schietpartij. De Rechtbank Den Haag oordeelde dat het de bedoeling is van de Wet Wapens en Munitie om de samenleving 'in het algemeen' te beschermen tegen misbruik van wapens. Maar deze wet is niet bedoeld voor de bescherming van individuele slachtoffers tegen schade die zij lijden in hun vermogen. Slachtoffers en nabestaanden van de schietpartij in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn kregen daarom geen schadevergoeding van de politie. Ook al had de politie volgens de Wet Wapens en Munitie de dader destijds geen wapenvergunning mogen verlenen.

Debat

In de juridische literatuur wordt verschillend gedacht over deze uitspraak. Dat geldt voor meer uitspraken van de Hoge Raad over het relativiteitsvereiste. Of het nu gaat om zaken waarbij de overheid is betrokken of zaken tussen private partijen. Den Hollander: "Er zijn mensen die vinden dat de rechter in zaken als die van de Alphense schietpartij juist moet oordelen dat de Wet Wapens en Munitie wel is bedoeld om de slachtoffers te beschermen en dat de politie aansprakelijk is, als zij in strijd met deze wet een wapenverlof verleent". Maar er zijn ook mensen die vinden dat dat te ver gaat. "Zij redeneren zo dat de politie weliswaar in strijd met de wet heeft gehandeld door het wapenvergunning te verlenen, maar niet de dader is van de schietpartij".

Rechter versus wetgever

Onder juristen is er bovendien discussie of de rechter dit soort relativiteitsvragen zelf wel mag beantwoorden, of dat de wetgever dat moet doen. "Het probleem is dat de wetgever in de tekst van de wet of de parlementaire toelichting vaak geen antwoord geeft op zulke vragen", zo vervolgt Den Hollander. In zijn proefschrift ontwikkelt hij daarom een model voor de toets aan het relativiteitsvereiste, voortbouwend op het werk van andere juristen.

Twee stappen

Dit model houdt in dat de rechter de vraag of een wet is bedoeld om schadevergoeding mogelijk te maken in twee stappen beantwoordt. Bij de eerste stap gaat het erom of dat überhaupt de bedoeling is of dat alleen handhaving via het strafrecht of het bestuursrecht mogelijk is. "Die stap moet volgens mij aan de wetgever worden overgelaten, omdat die geldt voor alle gevallen waarin op de wet een beroep wordt gedaan. Het is dus een hele verstrekkende stap." De rechter zal hier moeten zoeken naar aanknopingspunten in de parlementaire toelichting van de wet dat schadevergoeding mogelijk is. Bij de tweede stap gaat het erom of in het specifieke geval schadevergoeding mogelijk moet zijn. "Deze laatste stap kan en moet de rechter zelf zetten. De rechter kan dan een afweging maken of hij vindt dat schadevergoeding ook mogelijk zou moeten zijn in het specifieke geval van de twee partijen, die hun zaak aan hem voorleggen".

Praktijk

De rechtspraak sluit door de bank genomen redelijk aan bij dit model. "De kritiek van juristen die vinden dat de rechter te veel in het vaarwater van de wetgever zit, lijkt  dus in het algemeen niet terecht”, aldus Den Hollander. Hij verwacht dat de formulering en motivering van rechterlijke uitspraken aan de hand van het model aan scherpte kunnen winnen.

Sluiproute

Wat nu als de rechter toch een keer aansprakelijkheid wil aannemen, terwijl de wetgever geen aanknopingspunten biedt in de parlementaire toelichting? Voor zulke gevallen is er eind jaren vijftig al een soort sluiproute bedacht, om toch aansprakelijkheid te kunnen aannemen. "Via deze zogeheten correctie-Langemeijer kan de rechter om het relativiteitsvereiste en om de wetgever heen. Maar dan moet hij dat wel heel goed kunnen onderbouwen". Voor deze sluiproute zal dus alleen in uitzonderlijke gevallen ruimte zijn. "Wellicht zou zo in een zaak als de Alphense schietpartij een andere uitkomst mogelijk zijn, als de rechter vindt dat in deze ene zaak de politie toch de schade van de slachtoffers en nabestaanden zou moeten vergoeden, zonder de wapenwetgeving in het algemeen overhoop te halen", aldus Den Hollander.

Over de auteur

Wouter (P.W.) den Hollander was van november 2009 tot en met november 2015 als promovendus en docent verbonden aan het Instituut voor Privaatrecht van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. Naast het onderzoek voor zijn proefschrift, onder supervisie van prof. mr. A.G. Castermans, verzorgde hij onderwijs in vermogensrechtelijke vakken in de bachelor en master. Ook begeleidde hij scripties. Op dit moment is Den Hollander werkzaam als advocaat bij Stibbe in Amsterdam.