Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Henri Borel: ambtenaar tussen twee culturen

Audrey Heijns keek in het hoofd van alumnus Henri Borel. Van 1894 tot 1916 was deze tolk Chinees en later ambtenaar Chinese zaken in Nederlands Indië. De manier waarop Borel China en het Chinees ‘vertaalde’ was uniek en onnavolgbaar. Promotie op 28 juni.

Chinese minderheid in Nederlands Indië

In Nederlands Indië heeft altijd een aanzienlijke groep Chinezen gewoond. Aanvankelijk kwamen ze er als handelaar terecht, in de 18e eeuw ontvluchtten ze hun vaderland vanwege extreme armoede. In Nederlands Indië werkten ze op de plantages. Onder het Nederlandse bewind dienden allerlei officiële documenten ook in het Chinees te worden vertaald en in het Chinees gestelde documenten in het Nederlands.

Borel op ongeveer 30-jarige leeftijd
(© Letterkundig Museum)

Ambtenaar Chinese zaken

Van ambtenaren Chinese zaken werd verwacht dat ze het bewind adviezen verstrekten over het Chinese volksdeel en wat daar speelde. Dat was voornamelijk om corruptie tegen te gaan. Het Nederlands gezag was oorspronkelijk aangewezen op Chinese officieren. Vanwege het toenemend aantal fraudegevallen onder hen ontstond vraag naar Nederlandse experts die in staat waren documenten te vertalen, in de rechtzaal te tolken en boekhoudingen na te kijken.

Studie in Leiden,  Xiamen en Bejing

Henri Borels vader was een hoge militair, net als zijn grootvader van moederszijde. Hij werd geboren in Dordrecht in 1869. De jonge Henri koos voor een studie Hokkien Chinees aan de Leidse universiteit (1888-1892) en vervolgde zijn studie nog twee jaar in Xiamen, China. Dit als voorbereiding op zijn aanstelling als tolk Chinees en later als ambtenaar Chinese Zaken in Nederlands Indië. In 1909 zou hij voor de studie van het Mandarijn nog weer vier maanden in Beijing verblijven. Borel was ook journalist, schrijver en dichter.

In de knoop

Henri Borel raakte door zijn werk in Indië met zichzelf en zijn omgeving in conflict. Dat kwam door zijn kijk op de manier waarop hij zijn werk meende te moeten doen. Dat kon hij volgens zijn opvatting alleen maar goed doen door zich sterk te verdiepen in de Chinese taal en cultuur en vandaar zijn zienswijze te presenteren. ‘Reden waarom hij later, naast het Hokkien Chinees, ook nog Mandarijn leerde’, zegt Heijns. In het kader van zijn werk bezocht Borel de Chinese gemeenschap veelvuldig. In zijn ogen werden de Chinezen niet goed behandeld en Borel wilde hun positie verbeteren door daarover te schrijven. Heijns: ‘Borel ging zich identificeren met de Chinezen en publiceerde soms ook artikelen in kranten die het bewind onwelgevallig waren.'

In Indië, waarschijnlijk met een dochter 
uit een van zijn drie huwelijken

Superieure interpretatie

Daar kwam bij dat Borel dichter was, geworteld in de Europese romantiek, en van zichzelf vond dat dat hem hielp door te dringen in de wijze waarop het  Chinese volksdeel in Indië dacht en voelde. Sterker nog, alleen dichters konden zo dicht bij het wezen van de Chinezen komen. Ook Chinese en boeddhistische culturele tradities beïnvloedden hem. ‘Bij Borel groeide de overtuiging dat het idee dat zíjn ‘interpretatie’ van het Chinees, de Indische Chinezen en China de enige juiste en dus superieur was, ook in zijn werk als ambtenaar', aldus Heijns.

In een lastig parket

Door zich zo sterk met de Chinezen te identificeren, ging Borel twijfelen aan de juistheid  van het kolonialisme. Heijns: ‘Dat resulteerde erin dat hij zich in Indië als vertaler en interpretator wel op zijn gemak voelde, maar als vertegenwoordiger van het koloniale bewind  niet.’ Het bracht hem  in een lastig parket. Zijn zienswijze en opvattingen resoneerden  in zijn vertalingen en rapportages aan zijn werkgevers. Het  werd hem meestal  niet in dank afgenomen en een aantal keren werd hij overgeplaatst.

Terug in Nederland

In zijn tijd als tolk en ambtenaar reisde  Borel een paar keer  om gezondheidsredenen naar Nederland. De laatste keer verloor hij het zicht uit een van zijn ogen grotendeels, waarop hij werd afgekeurd voor werken in Indië en er niet terugkeerde. Hij ging in Den Haag wonen en begon met het schrijven van kunstkritieken. Ook schreef hij nog veel over China, eigen werk – artikelen, essays en verhalen – en vertalingen. ‘Doordat hij bij het vertalen dicht bij de bronteksten bleef en zijn vertalingen voorzag van introducties, voetnoten en opmerkingen, kreeg  de lezer veel uitleg en informatie. Dat maakte zijn werk toegankelijk voor een breder publiek en het heeft dan ook invloed op de kijk in Nederland op China in de late 19e en de vroege 20ste eeuw’, aldus Heijns.

Uitgave uit 1926

Geen baan in de wetenschap, wel invloed

Maar onder sinologen maakte Borel bepaald geen vrienden. Heijns: ‘Hij bekritiseerde het bestuderen van China en het Chinees met westerse onderzoeksmethoden.' Daarmee maakte hij het zichzelf onmogelijk om nog een  baan te veroveren bij zijn alma mater, de Universiteit Leiden. Toch had hij daar invloed: veranderingen uit die tijd in het curriculum en in de functiebeschrijving van een hoogleraar Chinese taal en letterkunde vinden bij Borel hun oorsprong.  Zoals meer aandacht voor het contemporaine China en een plaats voor het Mandarijn.

Borels romantische, poëtische en niet-wetenschappelijke aanpak was onnavolgbaar, maar beklijfde niet. Later zou zelfs blijken dat die tot foute interpretaties leidde. De wetenschap bleek  toch objectiever.

(CH)